“We staan bij je” zei hij kalm vanaf de ring, Emma staarde gekwetst naar haar tuin

Verhalen
Hartverscheurend onbegrip verhult verachtelijke bemoeienis.

over prijzen, files, kinderen van kennissen die “om onduidelijke redenen” psychologie waren gaan studeren, en over de buurvrouw van Jan, die “alweer lippen had laten opspuiten, net een karper”. Emma zat aan de zijkant van de tafel en keek toe hoe haar zelfgebakken brood verdween, hoe Jan zonder te vragen een pot ingemaakte lecsó opentrok die zij eigenlijk voor haar dochter had willen bewaren, en hoe Sophie de kinderen limonade inschonk in de dunne glazen die nog van Emma’s moeder waren geweest.

‘Jan, doe voorzichtig met die glazen.’

‘Ach, wat kan er nou mee gebeuren? Het is geen kristal.’

‘Nee, het is dun glas. Als er eentje breekt, vind ik nooit meer precies dezelfde.’

Sophie snoof zachtjes, met haar glas al halverwege haar mond.

‘Heb je het nu over die glazen, Emma, of over je leven?’

Emma keek haar strak aan.

‘Maak je een grap, of ben je gewoon onbeschoft?’

‘Dat hangt ervan af hoe graag jij beledigd wilt zijn.’

Jan had een flesje bier geopend. Hij nam een slok en zei toen, zonder zijn zus aan te kijken:

‘Luister, nu we toch bij elkaar zitten. Ik kom tot mijn salaris zo’n vierhonderd euro tekort. Voor een weekje maar. Kun jij dat even overmaken? Over tien dagen heb je het terug.’

Emma lachte kort, zonder vrolijkheid.

‘Natuurlijk. En ik had meteen moeten begrijpen dat dat hele “jij zet thee, wij brengen sfeer mee” alleen maar de inleiding was.’

‘Wat is daar nou weer erg aan?’ Jan zette zijn fles neer. ‘Jij hebt geld. Je hebt je appartement verkocht, dit huis gekocht en er is nog wat overgebleven. Ik vraag het niet voorgoed.’

‘Krijg jij nooit pijn aan je tong van het tellen van míjn geld? Jij hebt mijn appartement niet verkocht. Jij hebt mijn scheiding niet betaald.’

‘Emma, begin nou niet. Ik vraag het je als broer.’

‘Nee. Je vraagt het alsof ik een pinautomaat ben. Aan een zus vraag je eerst tenminste hoe het met haar gaat.’

Sophie liet zich achterover tegen de stoel zakken en keek over de rand van haar glas naar Emma.

‘Daar gaan we weer. Alles draait weer om jou. Er wordt je gewoon iets gevraagd. Als je niet wilt, zeg je nee. Zonder voorstelling.’

‘Goed,’ zei Emma. ‘Nee.’

Aan tafel werd het merkbaar stiller. Zelfs de kinderen keken heel even op van hun telefoons.

‘Meen je dat?’ Jan zette zijn bierflesje harder neer dan nodig. ‘Om vierhonderd euro ga jij moeilijk doen?’

‘Nee. Om het feit dat bij jullie alles al jaren vanzelfsprekend is. De tuin is van jullie. De kelder is van jullie. Mijn weckpotten zijn van jullie. De wijn ook. En ik blijkbaar net zo goed, zolang ik maar handig ben.’

‘Niemand gebruikt jou,’ beet Jan haar toe. ‘Dat verzin je zelf.’

‘O ja? Wie heeft mijn schroefboormachine geleend en hem teruggebracht met een kapotte knop?’

‘Dat ding ging per ongeluk stuk.’

‘Wie nam twee dozen met potten mee “voor heel even” en heeft ze nooit teruggebracht?’

‘Kom op, het zijn maar potten.’

‘En wie heeft uit de kas een hele krat zaailingen meegenomen “voor moeders tuin”, zonder mij zelfs maar iets te laten weten?’

Sophie trok haar lippen samen.

‘O, daar komt de boekhouding.’

‘Omdat jullie alleen boekhouding begrijpen. Zolang iets niet zwart op wit wordt bijgehouden, doen jullie alsof het nooit gebeurd is.’

Jan stond op, schonk zichzelf nog een bier in en toen hij weer sprak, klonk zijn stem vlakker, kouder.

‘Luister nu eens goed. Wij komen hier niet om aalmoezen halen. Wij laten jou niet zitten. Terwijl je ex een nieuw leven opbouwt, zijn wij hier. Dichtbij. En in plaats van een beetje dankbaarheid krijgen we dit.’

Emma keek naar haar broer en voelde voor het eerst die dag geen gekwetstheid, maar een vermoeide helderheid. Daar was het dus. Het wapen van de familie: binnendringen en het zorg noemen. Een ruwe hand onder je ribben duwen en doen alsof het een schouder is om op te leunen.

‘Jij bent niet dichtbij, Jan. Jij staat boven me. Dat is iets anders.’

‘Ach, laat ook maar.’ Jan draaide zich van haar weg. ‘Sophie, schenk wijn in. Waar bewaart ze hier de goede flessen?’

Emma schoot overeind.

‘Blijf uit de kelder.’

‘Doe niet zo moeilijk. Ik heb daar een rode zien staan, met een blauw etiket. Dan maken we er tenminste nog iets gezelligs van.’

‘Ik zei: niet doen.’

‘Waarom bewaar jij alles toch voor een of ander bijzonder moment?’ Jan liep al naar de deur. ‘Het leven is nu. Drink het nu.’

‘Die fles is een cadeau van Anna. Ik laat hem niet dicht omdat ik gierig ben. Ik wil alleen zelf bepalen wanneer ik hem openmaak.’

‘Emma, soms praat je alsof de hele wereld erop uit is om iets van je af te pakken.’

Zacht antwoordde ze:

‘Omdat sommigen precies daarmee bezig zijn.’

Tegen de avond leek het huis volgezogen met hitte, vleeslucht, kinderstemmen en ergernis. Sophie had uiteindelijk toch drie pioenrozen afgesneden, ze in een lege komkommerpot gezet en verklaard dat “bloemen tenminste nut moeten hebben”. Lucas morste limonade over de bank. Eva liet een van de glazen van Emma’s moeder vallen. Het sprong bijna geluidloos uit elkaar, net als iets in Emma dat al veel te lang onder spanning had gestaan.

‘Geen ramp,’ zei Sophie haastig. ‘Het is maar een ding.’

‘Voor jullie wel,’ zei Emma. ‘Bij mij is alles altijd maar een ding.’

‘Hemel, waar komt al dat gif vandaan?’ viel Sophie uit. ‘Je nodigt ons zelf uit en daarna trek je zo’n gezicht.’

‘Ik nodig jullie niet uit. Jullie melden gewoon dat jullie komen.’

‘Wij zijn familie! Normale mensen zijn blij als er familie langskomt.’

‘Normale mensen vragen het eerst.’

Toch bleven ze slapen. Natuurlijk bleven ze slapen. “De kinderen zijn loom geworden”, “het is te laat om nog terug te rijden”, “waarom zouden we nog gaan slepen”. Emma haalde beddengoed uit de kast, maakte de bank op en droeg kussens van de veranda naar binnen. Jan snurkte al in de kamer. Sophie stond in de badkamer haar gezicht te wassen met Emma’s dure gel, die volgens haar “toevallig voor het grijpen stond”. Emma liep naar de keuken om staand thee te drinken, zoals in een beroerde studentenwoning, alleen was deze woning van haarzelf.

Door de dunne muur kwamen stemmen.

‘Ik zeg je, we krijgen haar wel zover,’ fluisterde Jan, maar zo hard dat elk woord te verstaan was. ‘Ze blaast even stoom af en daarna zakt het weer. In haar eentje redt ze het toch niet makkelijk.’

‘Ik vind haar stemming niet prettig,’ antwoordde Sophie. ‘De vorige keer ging alles soepeler. Nu klampt ze zich aan elke pot vast alsof het goud is.’

‘Verveling. Ze heeft behalve haar moestuin niks. Ik heb Bram al gezegd dat hij in augustus met wat vrienden een weekend hierheen kan.’

‘Ben je gek geworden? Zonder het te vragen?’

‘Ze weigert niet. Waar moet ze heen? Ze zal eerst wat kapsones maken en dan laat ze ze toch binnen. Ze wil alleen even laten zien hoe belangrijk ze is.’

‘Let jij nou maar op dat je niet weer over geld begint. Eerst rustig aanpakken. En nog iets… als ze ons tijdelijk op dit adres zou laten inschrijven, zou dat met Eva’s school een stuk makkelijker worden.’

Emma zette haar kop zo hard neer dat de thee over de tafel klotste. Dus daar groeiden de wortels van dat opdringerige “wij zijn toch eigen mensen” naartoe. Het ging niet alleen om barbecueën. Niet alleen om frisse lucht voor de kinderen. Ze hadden haar huis nodig: als middel, als adres, als gratis ruimte, als decor waartegen hun leven gemakkelijker werd.

Ze bleef tot drie uur ’s nachts wakker.

Bij Wieke Thuis