“We staan bij je” zei hij kalm vanaf de ring, Emma staarde gekwetst naar haar tuin

Verhalen
Hartverscheurend onbegrip verhult verachtelijke bemoeienis.

‘Emma, ben je thuis? We rijden al op de ring. Over een minuut of veertig staan we bij je.’

Emma wist niet eens meteen wat haar het meest stak: dat achteloze “we staan bij je”, of de kalmte waarmee haar broer het zei. Geen “komt het uit?”, geen “hoe gaat het met je?”, niet eens “ben je ergens mee bezig?”. Gewoon een verkeersbericht vanaf de weg, alsof hij haar meldde hoeveel benzine er nog in de tank zat of dat er file stond bij een politiecontrole.

‘Goedemorgen, Jan. Jij ook een fijne dag. Vragen of het schikt is tegenwoordig zeker uit de mode?’

‘O, daar gaan we weer. Doe nou niet meteen zo. We zijn toch familie. Sophie had de kinderen frisse lucht beloofd, ik heb vlees gehaald, we zitten gezellig. Voor jou is dat ook leuker.’

‘Dus er is al voor mij besloten dat ik het leuk ga vinden?’

‘Emma, begin nou niet zo vroeg al. Sinds je scheiding zit je helemaal in je schulp. Je leeft daar op je tuinpark alsof je de nachtwaker bent. Wij halen je tenminste nog een beetje het leven in.’

Ze keek naar buiten. Achter het raam lag haar kleine stukje grond in “De Rietkant”: twee smalle bedden met aardbeien, een kasje, een verweerde tafel onder de appelboom, munt bij de veranda en een tuinslang die na het sproeien nog nat glansde in het gras. Drie jaar lang had ze dit alles bij elkaar geraapt, stukje voor stukje, zoals een mens zichzelf weer bijeenraapt na een ordelijk en vakkundig verraad. Haar man was niet simpelweg naar een andere vrouw vertrokken; hij had het gedaan met de opgewekte vastberadenheid van iemand die zichzelf óók nog slachtoffer van de omstandigheden vond. Het appartement was verkocht, het geld verdeeld, de kinderen waren hun eigen kant opgegaan. Emma kocht een huisje buiten Utrecht en leerde leven zonder andermans sloffen in de gang en zonder andermans besluiten in haar bestaan.

Alleen haar familie beschouwde dat om de een of andere reden als een tijdelijke geestelijke afwijking.

‘Goed,’ zei ze uiteindelijk. ‘Kom dan maar.’

‘Kijk, zo mag ik je horen. Jij zet de waterkoker aan, wij nemen de stemming mee.’

‘Jullie stemming kost toch niets.’

‘Prima, tot zo.’

Ze verbrak de verbinding en legde de telefoon met het scherm naar beneden, alsof het toestel persoonlijk schuld had. In de keuken hing de geur van dille, vochtige aarde en de jam van gisteren, die ze in potten had staan scheppen. De stilte hield nog stand, als het laatste restje waardigheid na een familiebijeenkomst, maar Emma wist al hoe het zou gaan: binnen drie kwartier zou haar erf op een stationsplein lijken.

En precies zo gebeurde het.

‘Tante Emmaaa!’ Lucas stormde als eerste naar binnen, zonder het hek achter zich dicht te doen. ‘Doet je wifi het?’

‘Hallo kinderen,’ zei Emma. ‘En ja hoor, ik heb jullie ook gemist. Zo erg zelfs dat ik ernaar verlangde om als eerste iets over wifi te horen.’

‘Mam, ik zei toch dat tante hier beter bereik heeft dan wij thuis!’ riep Lucas al vanaf de veranda.

‘Emma, mopper niet meteen,’ zei Sophie terwijl ze zich uit de achterbank wurmde en haar zonnebril boven op haar hoofd tegenhield. ‘We hebben perziken voor je meegenomen. In de aanbieding, maar ze zijn prima.’

‘Dank je. Zat het hek achter je dichtdoen soms niet in die aanbieding?’

‘Hemeltje, wat ben jij stekelig vandaag.’ Sophie liet haar blik over de tuin gaan. ‘O, kijk die pioenrozen eens. Ik knip straks wel een paar takken voor thuis, goed? Mijn vaas staat leeg.’

‘Niet goed. Die heb ik voor mezelf geplant.’

‘Voor jezelf en voor ons. We zijn toch geen vreemden.’

Jan tilde een tas met gemarineerd vlees en een tas met bier uit de kofferbak, zette ze allebei op de veranda en rechtte meteen zijn schouders, alsof hij zojuist een beslissende bijdrage aan de beschaving had geleverd.

‘Waar staat de barbecue? Ik regel alles.’

Emma keek hem aan met die kalmte waarachter de woede al begon te koken.

‘Zoals de vorige keer? Toen jij “alles regelde” en ik de volgende ochtend de kolen uit mijn bloembed kon scheppen?’

‘Kom op, dat was één keer.’

‘Twee keer.’

‘Goed, twee keer. Je hoeft er geen proces-verbaal van te maken.’

‘Iemand moet het bijhouden. Anders gaan jullie straks nog geloven dat het zo de bedoeling was.’

Eva, de jongste, kwam al uit de keuken aanlopen met een bord kersen in haar handen.

‘Tante Emma, mag ik je tablet pakken? Daar staan leuke spelletjes op.’

‘Nee.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat het mijn tablet is.’

‘Ben je bang dat ik hem opmaak of zo?’

Sophie schoot in de lach.

‘Hoor je dat? Een kind voelt meteen waar het om draait.’

Zonder iets te zeggen pakte Emma de kersen terug, zette de schaal hoog op de koelkast en draaide zich naar haar broer.

‘Jan, blijven jullie deze keer tot vanavond, of wordt het weer “we zien wel”?’

‘Ach, hangt ervan af,’ antwoordde hij net iets te snel. ‘Als de kinderen moe worden, blijven we misschien slapen. In de stad is het benauwd, dat weet je zelf.’

‘Nee, dat weet ik niet. Ik woon niet in de stad. Jij legt iedereen toch altijd uit dat ik hier nooit meer vandaan kom?’

‘Emma, begin je nou weer? Wij komen ontspannen en jij houdt meteen een kruisverhoor.’

‘Ik houd geen kruisverhoor. Ik vind het alleen prettig om te weten wat er in mijn huis gebeurt.’

‘Wat er in jouw huis gebeurt, heet familie,’ beet Jan haar toe. ‘Geen inspectie.’

Een halfuur later gedroeg die “familie” zich al alsof ze de hypotheek op iedere plank en spijker betaalde. Lucas banjerde met zijn buitenschoenen door het huis, Eva sleepte een plaid naar het gras en Sophie haalde potten uit de koelkast alsof ze een voorraadcontrole uitvoerde.

‘Emma, wat is dit voor kaas? Is die duur?’

‘Die heeft Anna voor me uit Amsterdam meegenomen.’

‘Dan maken we hem open. Straks bederft hij nog. Zulke dingen moet je niet achter slot en grendel bewaren.’

‘Sophie, laat liggen.’

‘Je doet net alsof dit een museum is. Alles is bij jou “niet aankomen”, “niet pakken”, “niet daarheen lopen”. Eerlijk, je zou het jezelf een stuk makkelijker kunnen maken.’

‘Dat doe ik ook. Zonder jullie bezoek gaat dat zelfs uitstekend.’

Jan deed alsof hij het niet hoorde. Hij stond al bij de barbecue te rommelen en riep vanaf daar:

‘Emma, waar heb je de houtskool? En aanmaakblokjes. En een fatsoenlijk mes, dit ding is bot. Grove zout ook. O ja, en nog een paar spiesen.’

‘Volgens mij woon ik niet in een huis, maar in een afhaalpunt.’

‘Waar heb je anders familie voor?’ riep hij opgewekt terug. ‘Om elkaar te helpen.’

‘Wat een handige formulering,’ zei Emma. ‘Alleen loopt die hulp bij jullie om de een of andere reden altijd dezelfde kant op.’

Sophie liet zich in een ligstoel zakken op de manier van mensen die zich door geen geweten en geen enkele taak voor die dag gehinderd voelen.

‘Emma, eerlijk waar, je bent erin blijven hangen. We begrijpen best dat het zwaar voor je is alleen. Daarom komen we juist. Zodat je niet helemaal verwildert.’

‘Verwildert?’ Emma zette een kom met komkommers op tafel. ‘Dus volgens jou zijn er twee opties: óf je laat je familie op je hoofd zitten, óf je verandert in een bosmens?’

‘Verdraai mijn woorden nou niet. Ik bedoel iets anders. Sinds die scheiding vat jij alles op als een aanval. Vroeger was je zachter.’

‘Vroeger was ik makkelijker in gebruik. Dat is niet hetzelfde.’

Ze gingen luidruchtig aan tafel zitten; stoelen schoven, glazen tikten tegen elkaar en de gesprekken begonnen meteen door elkaar heen te lopen.

Bij Wieke Thuis