Ook daarna kwam de slaap niet. Emma lag roerloos naar het plafond te kijken en merkte hoe ergens diep in haar iets langzaam bevroor: de laatste hardnekkige gewoonte om familie steeds opnieuw vrij te pleiten.
De volgende ochtend werd ze gewekt door het doffe geklap van plastic bakjes.
Bij de bedden langs het hek stonden Sophie en Jan. Sophie zat gehurkt tussen de planten, plukte met geoefende vingers de grootste aardbeien en legde ze in twee voedseldozen. Jan hield een derde bak vast en gaf de kinderen aanwijzingen alsof hij de eigenaar van de oogst was.
‘Niet die kleine pakken. Alleen de rode. Deze nemen we mee naar huis, de zachte mogen jullie meteen opeten.’
Emma stapte naar buiten, op blote voeten, recht de natte grassprieten in.
‘Waar zijn jullie in vredesnaam mee bezig?’
Sophie keek niet eens verschrikt op.
‘We plukken. Straks staat de zon erop.’
‘Dat zie ik. Mijn vraag was: wie heeft jullie toestemming gegeven?’
Jan kwam overeind en kneep zijn ogen samen, alsof Emma degene was die met haar plotselinge aanwezigheid een gezellige ochtend verstoorde.
‘Emma, begin nou niet meteen zo vroeg.’
‘Zo vroeg?’ Haar stem bleef laag, maar scherp. ‘Jullie hebben mijn bedden al leeggehaald en vinden dat deze ochtend nog altijd rustig genoemd kan worden?’
‘Leeggehaald,’ herhaalde hij spottend. ‘We oogsten gewoon. Die bessen zijn rijp. Anders verrotten ze.’
‘Ze verrotten niet. Ik pluk ze zelf. Voor mezelf. Voor mijn dochter. Soms maak ik er jam van.’
Sophie zuchtte, op die toon waarop iemand tegen een lastig kind praat.
‘Emma, eerlijk gezegd wordt dit echt gênant. Volwassen mensen zo’n scène maken om wat aardbeien.’
‘Om aardbeien?’ Emma zette een paar stappen dichterbij. ‘Nee, Sophie. Dit gaat niet over aardbeien. Dit gaat erover dat jullie je hier al tijden gedragen alsof ik niet besta. Alsof ik een bijlage ben bij dit stuk grond. Alsof dit huis geen eigenaar heeft, maar personeel.’
Jan trok een scheve grimas.
‘Daar heb je weer van die mooie woorden. Zeg gewoon waar het op staat: je gunt je neefje en nichtje geen fruit.’
‘Het fruit is het probleem niet. Jullie manier van doen wél.’
‘Welke manier van doen dan?’ Sophie verhief haar stem. ‘Wij komen langs, we zien elkaar, de kinderen zijn buiten. Of moeten we soms in de stad tussen vier muren blijven zitten en nergens meer komen?’
‘Ik wil dat jullie je gedragen als normale mensen. Niet als een overvalploeg.’
‘Overvalploeg?’ Jan deed een stap naar haar toe. ‘Jij bent echt alle gevoel voor verhouding kwijt. We zijn geen vreemden.’
‘Precies achter dat ene woord verschuilen jullie je voortdurend,’ zei Emma. ‘“Geen vreemden.” Lekker makkelijk. Dan kun je onaangekondigd komen binnenvallen. Dan kun je eten uit mijn kelder halen. Geld lenen. Spullen kapotmaken. Over mijn huis beslissen. En ik moet mijn mond houden, want jullie zijn zogenaamd familie.’
‘Wat hebben we nou helemaal van je afgepakt?’ Jan werd rood in zijn gezicht. ‘Een paar potten? Spiesen? Bessen? Doe niet zo belachelijk.’
‘Mijn tijd,’ antwoordde ze. ‘Mijn energie. Mijn rust. En het recht om niet iedere zaterdag bang te hoeven zijn dat er weer een complete landingseenheid op mijn erf staat.’
Sophie richtte zich langzaam op, de bak aardbeien nog in haar handen.
‘Luister eens goed naar mij. Jij bent gewoon verbitterd. Je man is weg, je kinderen leiden hun eigen leven, je zit hier alleen en het doet pijn. Dat snap ik best. Maar je hoeft niet alles wat in jou zuur is geworden over ons uit te gieten.’
Die woorden raakten haar precies waar ze bedoeld waren. Laag. Gemeen. En toch gebeurde er iets vreemds: het trillen in Emma hield op. Soms wordt iemand je zo raak in het hart gestoken dat je niet meer bang bent voor ruzie. Want erger dan dit wordt het toch niet meer.
‘Zet die bakjes neer,’ zei ze kalm.
Sophie knipperde.
‘Wat?’
‘Op de grond. Nu.’
Jan snoof.
‘En anders?’
‘Anders pakken jullie allebei onmiddellijk jullie spullen en vertrekken jullie. Zonder ontbijt. Zonder “laten we erover praten”. Zonder jullie familielessen over dankbaarheid.’
Hij staarde haar aan alsof hij haar niet goed had verstaan.
‘Gooi je ons eruit?’
‘Nee,’ zei Emma. ‘Ik beëindig deze voorstelling. Dat is iets anders.’
Sophie kneep haar ogen tot spleetjes.
‘Emma, hier ga je spijt van krijgen. Zo ga je niet met familie om.’
‘Familie maakt van je zus geen gratis vakantiepark. Familie bespreekt niet achter een muur hoe ze iemand kunnen “bewerken” voor een inschrijving op haar adres en hoe ze er nog een stel onbekenden bij kunnen halen. Dachten jullie werkelijk dat ik niets had gehoord?’
Over Jans gezicht gleed heel even die blik die mensen krijgen als ze betrapt zijn: geen schaamte, alleen ergernis omdat hun spelletje onderbroken is.
‘Jij stond te luisteren?’
‘Ik woon in mijn eigen huis. Jullie fluisterden alsof ik al bij het meubilair hoorde.’
‘Je hebt het helemaal verkeerd begrepen,’ schoot Sophie er haastig tussen.
‘Nee. Voor het eerst heb ik het juist uitstekend begrepen. En nu doen jullie twee dingen. Eerst zetten jullie die aardbeien terug. Daarna laden jullie je tassen in de auto.’
‘Krijg toch wat,’ zei Jan zacht.
‘Kijk,’ antwoordde Emma. ‘Dat klinkt tenminste eerlijk.’
‘Ga je serieus onze band kapotmaken om zoiets onbenulligs?’ Zijn stem werd harder. ‘Straks zit je te janken dat je niemand meer hebt.’
‘Ik héb al niemand,’ zei ze. ‘En tot mijn verrassing is dat rustiger dan jullie gezelschap.’
‘Kinderen, naar de auto!’ beet Sophie, ineens bleek. ‘Niets meer aanraken.’
‘En leg de sleutel van het hek op de tafel in de hal,’ voegde Emma eraan toe. ‘De reservesleutel. Die Jan “voor het geval dat” heeft laten maken zonder dat ik ervan wist.’
Jan verstijfde.
‘Ik heb helemaal niets laten maken.’
‘Lieg nu tenminste niet. Ik heb die kopie een maand geleden al aan je sleutelbos zien hangen.’
‘Goed, ik heb er een laten maken. Nou en? Voor het gemak. Je had me ook kunnen bedanken.’
‘Voor inbraak vermomd als zorgzaamheid? Nee, dank je.’
Ze pakten hun spullen in met veel lawaai en nog meer kwaadheid. Tassen ritselden nadrukkelijk, kastdeuren werden dichtgegooid, stoelen schoven schrapend over de vloer. Lucas probeerde iets te vragen, maar Sophie snauwde hem af alsof hij persoonlijk verantwoordelijk was voor de hele instorting. Eva huilde, vooral omdat ze haar stuk taart niet had mogen opeten. Jan liet met opzet lege flessen en vette servetten op tafel staan: het laatste miezerige wraakgebaar van een man wiens grote woorden waren opgebruikt.
Bij het hek draaide hij zich nog één keer om.
‘Onthoud dit, Emma. Zo leven normale mensen niet. Als je iedereen wegduwt, praat je straks alleen nog met je planten.’
‘Liever met planten dan met jullie,’ zei ze. ‘Die eisen tenminste niets.’
‘Je komt nog wel kruipend terug om het goed te maken.’
‘Blijf vooral dromen.’
De auto reed weg en trok een wolk stof op bij de poort. De stilte die daarna neerdaalde was zo abrupt dat het in haar oren suisde. Emma bleef op het pad staan. Ze keek naar het platgetrapte gras, naar de kinderstep die omgevallen bij de schuur lag, naar de half geplukte aardbeienbedden. Ze beefde niet van tranen, maar van de naschok. Zoals na een noodstop, wanneer je lichaam pas later begrijpt wat er net is gebeurd.
Daarna ging ze naar binnen, haalde een vuilniszak uit de kast en begon zwijgend de resten van hun zogenaamde familiewarmte bij elkaar te rapen: plastic vorkjes, kleverige bekers, lege verpakkingen en fruitpitten.
