“Sanne, als ik jou was, zou ik dat bord laten staan. Daar zit salade met mayonaise in. Dat is toch niet goed voor je” zei Mark, zonder zijn blik van het vlees op de barbecue te halen, en lachte hardop

Verhalen
Haar trots werd pijnlijk klein door minachtende spot.

‘Ach, kom nou. Iedereen ligt erin. Of ben je bang dat het bad straks overstroomt?’

Er werd ergens gegiecheld. Twee mensen, misschien drie. De rest deed alsof ze niets hadden gehoord.

Ik gaf geen antwoord. Ik draaide me weer naar Emma toe en pakte ons gesprek op, alsof hij er niet stond. Ik dacht: laat maar gaan. Zo ging het altijd. Hij spuide iets gemeens, ik zweeg, de avond kabbelde voorbij en uiteindelijk reden we naar huis.

Maar Mark bleef. Hij ging niet weg. Hij stond achter mijn ligbed, zo dicht dat ik zijn schaduw over mijn rug voelde vallen.

En toen schreeuwde hij, hard genoeg voor iedereen:

‘Dom vet wijf! Ga nou gewoon het water in!’

Daarna duwde hij me. Met twee handen, midden tegen mijn rug. Hard. Ik stond vlak bij de rand, omdat ik net van het ligbed was opgestaan om juist afstand van hem te nemen.

Water sloeg om me heen. De klap ging door mijn hele lijf. Chloor beet in mijn neus. Mijn tuniek zoog zich in een tel vol water en trok zwaar naar beneden. Proestend kwam ik boven, greep de rand vast. Mijn oren suisden. Boven me zag ik hem staan. Mark lachte, spreidde zijn handen en riep iets in de trant van: ‘Ik maak maar een grapje!’

Achttien mensen keken toe. Sommigen lachten. Anderen zwegen. Daan kwam vanaf de barbecue naar me toe gerend. Lisa stond erbij alsof al het bloed uit haar gezicht was weggetrokken.

Ik klom zelf uit het zwembad. Zonder hulp. Mijn natte tuniek plakte tegen mijn lichaam. Mijn haar hing in slierten op mijn voorhoofd. In de zak van de tuniek zat mijn telefoon. Dood. Achthonderd euro aan elektronica, veranderd in een doorweekte vod.

Van het dichtstbijzijnde ligbed pakte ik een handdoek. Ik sloeg hem om me heen en veegde mijn gezicht af. Mijn handen beefden niet. Dat verbaasde me nog het meest.

‘Mark,’ zei ik. Mijn stem klonk vlak. Rustig. ‘Je hebt me zojuist het zwembad in geduwd. Zonder dat ik dat wilde. Je hebt mijn telefoon kapotgemaakt. Die kost achthonderd euro. Ik verwacht dat je dat bedrag uiterlijk morgen overmaakt.’

Hij hield op met lachen. Een halve seconde maar. Toen trok hij zijn mond alweer in een grijns.

‘Sanne, doe normaal. Het was een geintje. Koop gewoon een nieuwe.’

‘Morgen staat het bedrag op mijn rekening,’ herhaalde ik. ‘Anders doe ik aangifte. Dit is geen grap, Mark. Dit is fysiek geweld.’

Het werd stil. Zelfs de muziek leek opeens zachter te staan.

Daan stond naast me. Hij was ook nat; hij was het water in gesprongen om me te helpen, maar tegen die tijd was ik er al uit.

‘We gaan,’ zei Daan.

En voor het eerst in zeven jaar voegde hij er niet aan toe dat Mark het vast niet zo bedoeld had.

In de auto zat ik op een handdoek. Er drupte water van de stoel. Ik was doorweekt, woedend en tegelijk merkwaardig kalm. Een vreemde combinatie. De boosheid brandde niet. Ze was koud, helder, als een winterochtend zonder wolken.

Mark maakte niets over. Niet de volgende dag. Niet na drie dagen. Ook niet na een week. Wel stuurde hij Daan een bericht: ‘Zeg tegen die van jou dat ze niet zo hysterisch moet doen. Een grap is een grap. En ze mag blij zijn dat ik haar überhaupt verdraag op onze bijeenkomsten.’

Daan liet het me zien zonder iets te zeggen.

Ik las de regels. En ergens vanbinnen verschoof er iets voorgoed. Het brak niet. Nee, het schoof. Alsof een hendel eindelijk in de juiste stand klikte.

Een week later organiseerden we een diner bij ons thuis. Half zakelijk, half privé. Ik had twee mogelijke franchisepartners uitgenodigd. Daan had een paar collega’s gevraagd. Mark nodigde zichzelf uit. Hij belde Daan en zei: ‘Ik hoorde dat jullie een etentje hebben. Ik kom met Lisa.’ Daan vroeg mij wat ik daarvan vond. Ik zei dat hij maar moest komen.

Met twaalf mensen zaten we aan de lange tafel in onze woonkamer. Diezelfde woonkamer. Twee dagen had ik gekookt. Niet om indruk op Mark te maken, maar omdat De Vries en Van Dijk zouden komen: eigenaren van een cafégroep in Groningen, die serieus overwogen om met mijn franchiseformule in zee te gaan. Dit diner deed ertoe. Echt ertoe.

Mark verscheen in zijn gebruikelijke nette overhemd, met een fles wijn van twintig euro en met Lisa aan zijn arm. Hij omhelsde Daan, knikte naar mij en ging zitten. Het eerste uur gedroeg hij zich normaal. Hij maakte grappen zonder iemand te raken, vertelde over Turkije en prees het eten. Even dacht ik zelfs: misschien heeft dat voorval bij het zwembad hem toch iets geleerd.

Nee dus.

Bij het dessert — ik had tartelettes met bessencrème gemaakt, ook helemaal zelf — leunde Mark achterover in zijn stoel. Een glas rode wijn in zijn hand. Zijn blik glom vettig.

‘Sanne kan trouwens niet alleen fantastisch koken,’ zei hij, terwijl hij zich tot De Vries richtte, ‘ze kan ook fantastisch eten. Daan, vertel eens, hoeveel krijgt ze in één keer naar binnen?’

De Vries trok een wenkbrauw op. Van Dijk legde haar vork neer.

Ik zat aan het andere uiteinde van de tafel. Voor me stond mijn eigen taartje. Bessencrème. Die had ik die ochtend zelf gekookt. Vier uur in de keuken. Twee dagen voorbereiding. Potentiële franchisepartners. Mijn huis. Mijn tafel. Mijn eten.

En daar was deze man weer.

In mij werd het plotseling heel stil. Geen razernij. Stilte. Precies die stilte die valt in de seconde voordat je een besluit neemt.

Ik stond op. Rustig. Ik pakte mijn telefoon, de nieuwe, betaald uit mijn eigen zak omdat Mark nooit iets had overgemaakt. Achthonderd euro.

Ik drukte het nummer van Anouk in, wachtte tot ze opnam en zei: ‘Anouk.’

Bij Wieke Thuis