‘Met Sanne. Ja, ik weet dat het avond is. Luister, wil je morgenochtend meteen een kennisgeving opstellen voor het beëindigen van alle lopende overeenkomsten met Bries Media? Alles. Vormgeving, socials, seizoenscampagnes. Elk contract. Reden: onvoldoende kwaliteit in de communicatie. Ja, voor alle vijf vestigingen. Ja, ik ben zeker. Deze week zoeken we een nieuwe partij. Dank je.’
Ik legde de telefoon weer op tafel en keek Mark aan.
Hij had het nog niet door. Nog niet helemaal. Hij staarde naar me alsof ik ineens in een taal sprak die hij niet beheerste.
‘Sanne,’ zei hij langzaam, ‘wat doe jij nou?’
‘Mark,’ antwoordde ik kalm, ‘Patisserie-Plus is van mij. De Zoete Zaak is mijn keten. Vijf patisserieën. Tweeëndertig mensen in dienst. Jouw bureau draait al zes jaar op mijn opdrachten. Achtenveertigduizend euro per jaar. Bijna de helft van je omzet. Ik heb het nagekeken.’
Zijn gezicht trok in fasen strak. Eerst zag ik verwarring. Daarna begon hij te rekenen. Toen viel het kwartje. En helemaal op het einde kwam er iets bij wat ik nog nooit bij hem had gezien: angst.
‘Wacht even.’ Hij zette zijn glas neer, iets te hard. De wijn klotste over de rand en liet een donkere vlek op het tafellaken achter. ‘Patisserie-Plus… dat ben jij? En Anouk is jouw manager?’
‘Zes jaar lang,’ zei ik. ‘Zes jaar heb jij advertenties, campagnes en acties gemaakt voor mijn bedrijf. En zeven jaar lang heb je me bij elke ontmoeting behandeld alsof ik niets voorstelde. Je duwde me in het zwembad. Je zette me voor schut, hier, in mijn eigen huis, terwijl mijn zakelijke gasten erbij zaten.’
De Vries zat roerloos op zijn stoel. Van Dijk keek naar Mark met een blik die ik maar al te goed herkende: zo kijk je naar iets dat over je bord kruipt terwijl je probeert te eten.
‘Sanne, kom op nou.’ Mark kwam overeind. Zijn handen trilden. Voor het eerst in al die jaren zag ik dat hij zijn vingers niet stil kon houden. ‘Dit is zaken doen. Dat moet je niet met privé door elkaar halen. Daan en ik zijn vrienden. Ik wist het niet. Echt, ik wist dit niet!’
‘Je wist niet dat Patisserie-Plus van mij was,’ zei ik, en ik knikte even. ‘Maar je wist wél dat ik een mens was. Alleen maakte jou dat nooit iets uit.’
Lisa zat als versteend naast hem. Haar blik bleef op haar bord gericht. Zoals altijd.
Daan keek naar mij. Hij zei niets. Hij probeerde me niet tegen te houden. Voor het eerst in acht jaar deed hij dat niet.
‘Sanne.’ Mark zette een stap in mijn richting. ‘Laten we even praten. Niet hier. Gewoon onder vier ogen. Ik—’
‘Nee,’ onderbrak ik hem. ‘Zeven jaar lang heb jij mij publiekelijk vernederd. Dan krijg je mijn antwoord ook waar iedereen bij is. De contracten worden beëindigd. Dat is mijn besluit.’
Ik ging weer zitten, nam een klein taartje van de schaal en beet erin. De bessencrème was precies goed: een vleugje vanille, de frisse zurigheid van framboos. Ik was tevreden. Met het gebak. En met mezelf.
Mark bleef midden in mijn woonkamer staan, met die wijnvlek op het linnen en een gezicht dat ik niet eerder bij hem had gezien. Daarna draaide hij zich om en liep weg. Lisa stond op en volgde hem. Even later sloeg de voordeur dicht.
Aan tafel viel opnieuw stilte. Ik dronk mijn glas water leeg.
De Vries schraapte zijn keel.
‘Sanne,’ zei hij voorzichtig, ‘uw franchiseformule is trouwens echt interessant.’
Toen glimlachte ik. Voor het eerst die avond oprecht.
Later, toen de gasten waren vertrokken, ruimden Daan en ik samen de tafel af. Hij zweeg lang. Pas bij de gootsteen zei hij:
‘Je beseft dat hij me vanaf nu elke dag gaat bellen, hè?’
‘Dat besef ik.’
‘En wat moet ik dan tegen hem zeggen?’
‘De waarheid. Dat hij mijn huis binnenkwam en de gastvrouw beledigde.’
Daan zette een bord in de spoelbak. Daarna keek hij me aan.
‘Ik had hem allang moeten stoppen.’
Ik zei niets terug. Want ja. Dat had hij moeten doen. Maar hij had het niet gedaan. En ook dát hoorde bij dit verhaal.
Twee maanden gingen voorbij. Mark raakte mijn opdrachten kwijt. Achtenveertigduizend euro per jaar is geen klein gat in een begroting. Hij moest drie mensen ontslaan en verhuisde met zijn bureau naar een kleiner kantoor. Dat hoorde ik van Daan, die nog steeds eens in de twee weken bij hem langsging.
Volgens anderen vertelt Mark nu aan iedereen dat ik “wraakzuchtig” ben. Dat ik “misbruik heb gemaakt van de situatie”. Dat ik “privé en werk door elkaar heb gehaald”. En dat “een echte ondernemer zoiets niet doet”.
Misschien heeft hij gelijk. Misschien ook niet. Misschien duwt een echte ondernemer zijn opdrachtgever niet in een zwembad.
Ik heb inmiddels een ander bureau gevonden. Ze doen hun werk minstens zo goed. En ze zijn beleefd. Wonderlijk eigenlijk, nietwaar? Blijkbaar kun je reclamecampagnes maken zonder je klant te beledigen.
Daan bezoekt Mark nog altijd alleen. Ik verbied hem niets. Het is zijn vriend. Maar aan onze tafel heeft Mark nooit meer gezeten. En ik ben rustig. Voor het eerst in zeven jaar werkelijk rustig.
Toch blijft er één vraag door mijn hoofd spoken.
Ging ik te ver door die contracten op te zeggen terwijl zijn partners erbij waren? Of heeft hij dit zelf over zich afgeroepen, na al die jaren, na tientallen ontmoetingen, na “domme dikke trut” en dat zwembad? Wat zouden jullie hebben gedaan?
