Jan stormde de veranda op en struikelde bijna over een lege wodkafles die achteloos bij de trap was blijven liggen. Zijn gezicht zat vol rode vlekken; zijn vingers trilden zichtbaar. Of dat nu kwam door de angst voor zijn moeder of door de paniek voor zijn vrouw, was moeilijk te zeggen. Hij schoot naar de tafel en probeerde zich tussen Emma en de ongelukkige schaal salade te wringen, alsof zijn magere lijf ineens een muur kon worden.
‘Emma, waag het niet!’ piepte hij, waarbij zijn stem oversloeg. ‘Ben je helemaal gek geworden? Er zitten mensen aan tafel! Zet die kom neer!’
Emma richtte haar blik op hem. Lang, strak, zonder ook maar één keer met haar ogen te knipperen. Er zat geen woede meer in die blik, zelfs geen gekwetstheid. Alleen een ijzige, bijna onderzoekende afkeer, zoals iemand naar een platgetrapte kever kijkt. Toen kantelde ze de keramieken schaal langzaam opzij.
De zware, met mayonaise doordrenkte massa gleed naar de rand en viel met een nat, zuigend geluid op het smoezelige tafelkleed. Klodders aardappel, ei en augurk spatten alle kanten op. Een flinke veeg belandde op de mouw van Anna’s huisjurk.
Op de veranda werd het doodstil. Alleen een vette vlieg zoemde onverstoorbaar boven de schaal met vleeswaren.
‘Ben jij niet goed bij je hoofd?’ siste Anna, terwijl ze stukjes salade van de zonnebloemen op haar borst veegde. ‘Pieter, kijk dan wat ze doet! Ze is niet normaal, hoor. Een gestoorde vrouw is het! Eten zo verprutsen! Wij behandelen haar als een mens en zij… zij gedraagt zich als een ondankbaar varken!’
‘Mam, wacht even!’ Jan greep Emma bij haar elleboog en trok haar ruw mee naar de zijkant van het huis, weg van de gretige ogen van de familie.
Emma liet zich een paar passen meevoeren, maar rukte daarna haar arm los alsof zijn aanraking besmettelijk was. Ze bleven staan bij de regenpijp. Jan hijgde zwaar. Er hing een lucht om hem heen van goedkoop bier, zweet en pure angst.
‘Em, je gaat te ver,’ fluisterde hij gejaagd, terwijl hij telkens naar de veranda keek, waar het verontwaardigde gemompel alweer aanzwol. ‘Dit kan toch niet zo? Het is mijn familie. Oom Pieter heeft gedronken, die kan echt niet meer achter het stuur. Waar moet ik ze nu laten? Het wordt straks avond. Kom op, laten we gewoon iets afspreken. Ze slapen hier één nacht. Rustig, zonder gedoe. Ik leg ze wel op de vloer, we pakken niet eens schoon beddengoed. Morgenochtend, ik zweer het je, zijn ze weg. Alsjeblieft, Emma. Zet me niet zo voor schut waar iedereen bij is.’
Emma keek naar hem en zag niet langer de man met wie ze drie jaar geleden was getrouwd. Voor haar stond een vormeloze, glibberige substantie die wanhopig probeerde in elke gewenste mal te passen, zolang niemand hem maar hoefde af te wijzen.
‘Jij zet jezelf voor schut, Jan,’ zei ze zacht. ‘Door zonder te vragen deze hele kermis mijn huis binnen te slepen. Door je moeder in mijn keuken te laten regeren alsof zij hier de sleutel heeft. En door nu hier te staan jammeren in plaats van het probleem op te lossen.’
‘Welk probleem dan?’ Jan gooide zijn armen omhoog. ‘Wat hebben ze je nou helemaal aangedaan? Ze hebben wat gegeten, ze hebben wat gedronken. Is dat zo erg? Je hebt het toch breed genoeg nu? Je bent leidinggevende, je rijdt in een grote auto, je hebt een buitenhuis. Gaat zo’n stukje kaas je dan dwarszitten?’
‘Het gaat niet om kaas, Jan. Het gaat erom dat jij bezetters hebt binnengebracht. Luister eens naar wat ze daar zeggen.’
Vanaf de veranda rolden de dronken, schaamteloze stemmen hun kant op. De tante met de permanent verkondigde luid genoeg dat de halve tuin het kon horen:
‘Moet je haar zien, dat stadse prinsesje! Een salade over tafel gooien! In onze tijd had ik haar daar een flinke draai om de oren voor gegeven, zonder twee keer na te denken. Onze Jan is ook veel te slap, daarom danst ze op zijn hoofd. Een vrouw moet je kort houden, niet de sleutels van een vakantiehuis geven!’
‘Precies!’ bromde een zware mannenstem instemmend. ‘Ze weten van gekkigheid niet wat ze moeten doen. Vast geld achterovergedrukt, want met eerlijk werken koop je zo’n huis niet. En nu kijkt mevrouw neer op gewone mensen. Maak je geen zorgen, Anna, wij leren haar nog wel manieren. Morgen zetten we haar met een schep in de tuin. Laat haar maar bedden omspitten, dan is die kapsones zo verdwenen.’
Emma lachte kort, zonder vreugde, en keek weer naar haar man. Zijn gezicht werd nog donkerder rood; hij sloeg zijn ogen neer.
‘Gehoord?’ vroeg ze. ‘Ze zijn mijn heropvoeding al aan het plannen. Morgen ploegen ze het gazon om voor aardappelen, en overmorgen besluit je oom Pieter dat hij de schuur beter als sauna kan gebruiken dan ik als opslagruimte.’
‘Ze zijn gewoon dronken,’ mompelde Jan zielig. ‘Als ze hun roes hebben uitgeslapen, doen ze weer normaal. Em, toe nou. Hou het één avond vol. Voor mij. Als je ze nu wegstuurt, maakt mijn moeder me kapot. Ze zal me vervloeken.’
‘En als ik ze niet wegstuur, blijft er van mijn leven niets over,’ sneed Emma hem af. ‘Ik kom hier om uit te rusten. Niet om animatieteam te spelen voor een stel horken.’
Ze deed een stap naar hem toe, waardoor er nauwelijks nog ruimte tussen hen overbleef. Haar stem werd hard en droog, als bladeren die in november onder je schoenen breken.
‘Luister goed naar me, Jan. Ik ga dit niet nog eens uitleggen. Het is nu vier uur. Jij en jouw “familie” hebben precies twintig minuten om jullie spullen in de auto’s te laden en te vertrekken. Een taxi naar de stad kost desnoods vijftig euro. Heeft je oom geen geld, dan geef jij hem maar wat. Heb jij niets, dan leen je het van je moeder.’
‘En als ik dat niet doe?’ Jan probeerde zijn schouders te rechten en iets van mannelijke vastberadenheid op zijn gezicht te zetten, maar het resultaat was bedroevend. ‘Wat als ik zeg dat ze blijven? Dit is ook mijn vakantiehuis. Ik ben je man!’
‘Volgens de papieren is dit huis uitsluitend van mij,’ antwoordde Emma. ‘Gekocht van mijn spaargeld van vóór ons huwelijk en volledig op mijn naam gezet. Jij hebt er juridisch niets mee te maken. Jij bent hier te gast. En als gast gedraag je je schandalig.’
Ze haalde diep adem. Er knapte iets in haar binnenste, het laatste dunne draadje dat haar nog aan deze man had vastgehouden.
‘Of zij vertrekken nu,’ zei ze, ‘of jij vertrekt met hen mee. Dan pak je je spullen, stap je in die roestige Renault van oom Pieter en rijd je naar je moeder. En daarna kom je hier niet meer terug. Niet naar dit huis en ook niet naar ons appartement. De sleutels van het appartement laat je op tafel achter.’
Jan verstijfde met zijn mond halfopen. Hij had gerekend op geschreeuw, op tranen, misschien op borden die tegen de muur zouden vliegen. Alles had hij verwacht, behalve deze kalme, kille uitspraak.
‘Jij… jij gooit mij eruit?’ stamelde hij. ‘Om mijn moeder? Om een barbecue? Emma, hoor je jezelf wel? We zijn vijf jaar samen!’
‘Niet om de barbecue, Jan. Omdat jij liever een gehoorzame zoon bent dan mijn echtgenoot. Omdat je hebt toegestaan dat ze mij in mijn eigen huis vernederen. De keuze is aan jou. De klok loopt.’
Ze draaide zich om en liep terug naar de veranda. Zodra de groep haar zag naderen, viel het geroezemoes even stil, maar dat duurde niet lang. Anna zat met een servet mayonaise van haar borst te vegen en zoog al hoorbaar lucht naar binnen voor een nieuwe aanval.
‘Nou?’ vroeg ze giftig toen Emma de treden op kwam. ‘Hebben jullie uitgepraat? Heeft mijn zoon je eindelijk tot rede gebracht? Je deed nogal bazig, meisje. Ga zitten. Drink een strafglas zolang ik nog vriendelijk ben. En breng meteen een schone vork mee, want met deze vieze troep wil ik niet eten.’
Emma zei niets. Ze nam plaats in de rieten stoel tegenover hen, sloeg haar armen over elkaar en wachtte. Haar blik bleef rusten op Jan, die langzaam achter haar aan de trap op kwam, alsof hij naar het schavot liep. Op dat moment werd over zijn lot beslist, en aan zijn schichtige ogen en trillende lippen was te zien dat hij bereid was iedereen te verraden, als hij daarmee maar een openlijke botsing kon vermijden.
