‘En als je blijft tegenstribbelen, dan zorgen mijn zoon en ik er wel voor dat je voorgoed stil bent. Prent het je nu eindelijk eens in: in deze familie sta ík bovenaan. Ik ben degene die de toon zet. Wat ik zeg, gebeurt.’
Met een harde, beschuldigende beweging duwde ze haar vinger tegen Emma’s borst.
‘En dat hok van jou…’ Johanna trok haar lip op. ‘Dat is hooguit entreegeld geweest om bij onze naam te mogen horen. Een betaling omdat wij iemand zoals jij überhaupt hebben toegelaten. Dus waag het niet om je nog langer groot te maken. Ken je plaats, domme gans!’ schreeuwde ze.
Emma deinsde achteruit alsof ze werkelijk een klap had gekregen. Schaamte brandde op haar wangen, woede kneep haar keel dicht, vernedering sloeg als een bittere brok tegen haar gehemelte.
Precies op dat moment verscheen Mark in de deuropening. Hij leunde met één schouder tegen het kozijn. Aan zijn gezicht viel niets af te lezen.
Maar zijn ogen… die waren donker en vlak, als stilstaand water waaronder iets roofzuchtigs bewoog.
Hij had alles gehoord.
‘Mam,’ zei hij zacht, bijna vriendelijk, en juist daardoor werd het akeliger. ‘Ben je nou volledig van het padje af? Voorjaarswaanzin? Of heeft er een dakpan op je hoofd gelegen? Waar haal jij in hemelsnaam deze onzin vandaan?’
Johanna snoof. Ze hoorde zijn toon verkeerd en dacht blijkbaar dat hij haar kant koos.
‘Jongen, eindelijk! Leg haar uit hoe de verhoudingen hier liggen! Ik zeg gewoon waar het op staat. Jij bent de man in huis. Ik ben het hoofd van de familie. Dit appartement is nu van ons allemaal. En dat daar…’ Ze maaide met haar hand in Emma’s richting. ‘Die moet haar vissenbek houden en niet zo moeilijk doen.’
Mark kwam langzaam los van het kozijn. Hij verhief zijn stem niet. Integendeel, hij liet hem zakken tot een schurend, gevaarlijk gefluister.
‘Genoeg, mam. Het doek is gevallen. Je bent niet één grens overgegaan, maar allemaal tegelijk. Je bent elk contact met de werkelijkheid kwijt. Je trekt nu je jas aan en je vertrekt. Op eigen benen of over mijn schouder, dat mag je kiezen. En als je nog één woord zegt, bel ik de ambulance en mogen ze iets meenemen voor iemand die helemaal doordraait. Ik meen dit.’
Zijn moeder verstarde. ‘Mark? Ik ben je moeder! Je eigen bloed! En jij kiest door dat…’
‘Ja, je bent mijn moeder,’ viel hij haar in de rede. Voor het eerst kreeg zijn stem een metalen klank.
