Haar vertrouwde manier van leven viel in stukken uiteen; de vaste orde waarop ze altijd had gesteund, leek ineens niets meer waard. Maria kon er met haar verstand niet bij dat haar man háár had ingeruild voor zo’n vrouw. Zo iemand. Iemand die, in haar ogen, op geen enkel punt met haar kon wedijveren.
Drie jaar nadat haar man was vertrokken, kondigde hun zoon aan dat hij ging trouwen. Maria had het verraad van de man die haar het dierbaarst was geweest nog altijd niet werkelijk verwerkt, en het vooruitzicht om helemaal alleen achter te blijven joeg haar angst aan. In het begin probeerde ze Mark zelfs van dat huwelijk af te brengen.
‘Mam, waar ben je mee bezig?’ zei hij op een dag vermoeid. ‘Het besluit is genomen. Sophie en ik houden van elkaar. De datum staat al vast. Hoe lang wil je dat we dit nog uitstellen?’
‘Kom dan tenminste bij mij wonen,’ smeekte ze. ‘Dat kan toch? Dan zijn jullie niet ver weg.’
‘Nee, mam. Dat gaat echt niet gebeuren. Sophie wil dat niet. Ze heeft vanaf het begin gezegd dat we apart gaan wonen, zelfstandig, zonder ouders onder één dak.’
Nu er bovendien een kleinzoon was geboren en Mark vanzelf minder tijd en aandacht voor zijn moeder had, begon Maria steeds vaker de zielige kaart te spelen. Ze belde om de haverklap, verzon redenen waarom ze hulp nodig had en trok de jonge familie zo telkens opnieuw haar kant op.
Wat ze eigenlijk verlangde, was opnieuw het middelpunt zijn. Ze wilde dat alles om haar draaide, dat zij de toon aangaf. Zoals vroeger, toen haar man en zoon om haar heen bewogen en bijna elke wens van haar gezicht leken af te lezen.
‘Mark, laat Sophie naar mij toe komen. Ik moet haar dringend spreken,’ zei Maria op een dag aan de telefoon. Dit keer besloot ze het niet rechtstreeks te spelen, maar met een omweg.
Even later kreeg Sophie de hoorn in handen. Ze was net met haar zoontje bezig en klonk al bij voorbaat kortaf.
‘Ja? Wat is er?’
‘Sophie, kom vanavond even langs, als Mark thuis is van zijn werk,’ begon Maria met zachte, breekbare stem.
‘Waarom?’ vroeg Sophie, hoorbaar geïrriteerd.
‘Ik ben ziek. Ik voel me afschuwelijk… Alles draait, mijn bloeddruk is veel te hoog. En mijn hart doet ook pijn.’
‘Bel dan een dokter. Wat moet ik daarmee?’
‘Die heb ik al gebeld,’ jammerde Maria. ‘Natuurlijk heb ik dat gedaan. Hij heeft een hele reeks medicijnen voorgeschreven. Iemand moet ze alleen ophalen en naar mij brengen.’
‘Tegenwoordig kunt u alles laten bezorgen. Bestel het online, dan is het geregeld.’
‘Sophie, hoe kun je zo hard zijn?’ Maria’s stem trilde nu bijna van verontwaardigde gekwetstheid. ‘Ik vraag je alleen om even te komen. Ik mis gewoon wat menselijke warmte, een beetje gezelschap. Als je vijf of tien minuten blijft, voel ik me vast al beter. Toe nou?’
‘Laat uw zoon dan komen,’ hield Sophie voet bij stuk.
‘Mark kan geen injectie geven. En ik moet er eentje krijgen. Kom gewoon, ik wacht op je.’
Daarna verbrak Maria de verbinding. Sophie vertelde haar man vervolgens zonder omwegen wat ze van zijn moeder en haar toneelstuk vond.
Toch besloot Sophie die avond, toen Mark thuiskwam van zijn werk, alsnog naar haar schoonmoeder te lopen. Het weer was prachtig, en eerlijk gezegd kon ze het ook wel gebruiken om even weg te zijn uit de sleur van luiers, huishouden en eindeloze kleine zorgen.
Onderweg ging ze langs de apotheek en kocht alles wat op het doorgegeven lijstje stond.
