— Misschien kun je een keer langskomen om samen uit te zoeken wat weg kan? Alles wat je mooi vindt, mag je meenemen en dragen, — probeerde Maria haar schoondochter met een omweg naar zich toe te lokken.
— Laat me niet lachen. Ik trek geen afdankertjes van anderen aan, en al helemaal niet van een oude vrouw. Ik heb zelf genoeg kleren.
— Oude vrouw? Wie noem jij hier oud? — schoot Maria beledigd uit haar slof. — Voor jouw informatie: ik ben net de vijftig voorbij en ik zie er nog hartstikke jeugdig uit. Dat zegt iedereen. Zelf voel ik me hooguit vijfendertig… — Ze aarzelde even en voegde er toen aan toe: — Nou ja, misschien veertig. Maar jij behandelt mij zonder een greintje respect. Ik heb Daan daar trouwens al vaker op gewezen.
— Vertel hem vooral alles! — beet Emma haar toe. — Waarom zou u zich inhouden? Zeg gewoon dat u zich achttien voelt. Als dat echt zo was, zou u mij niet voortdurend lastigvallen met uw geklaag dat u zich niet lekker voelt en dat ik u moet komen helpen. Ik kom niet. Zoek zelf maar tussen uw vodden.
— Emma, jij bent grof en totaal tactloos. Waar ben jij eigenlijk opgevoed? Je toont geen enkel respect voor de vrouw die jouw geliefde man het leven heeft gegeven.
— Jawel hoor. Alleen ben ik gewend om eerlijk te zeggen wat ik denk.
Na elke woordenwisseling van dit soort belde Maria haar zoon op. Dan vertelde ze hem uitvoerig hoe eenzaam ze was, hoe zwaar haar dagen waren en hoe verdrietig haar bestaan was geworden.
En eerlijk was eerlijk: Maria was ook werkelijk alleen. Een paar jaar eerder had haar man haar verlaten en was hij bij een collega ingetrokken. Niet, zoals men misschien zou verwachten, bij een jonge, uitdagende blondine. Nee, hij had gekozen voor een rustige, huiselijke vrouw die zelfs iets ouder was dan hijzelf. In Maria’s ogen was ze volkomen kleurloos.
Lange tijd kon Maria niet bevatten wat haar man in hemelsnaam bezield had. Ze was zelfs naar zijn kantoor gegaan om haar rivale met eigen ogen te bekijken. Ze wilde begrijpen wat er zo bijzonder kon zijn aan een vrouw die ouder was dan zij én ouder dan haar man.
Maar er bleek niets bijzonders aan haar te zijn. Het was een grauwe, onopvallende muis, iemand die nergens boven de massa uitstak. Zelfs haar handen zagen er onverzorgd uit. Geen keurige manicure, geen elegante nagels die haar vingers verfijnd en vrouwelijk maakten.
Maria had daar verbijsterd gestaan, volledig uit het veld geslagen. Onwillekeurig vergeleek ze haar eigen verzorgde uiterlijk, haar zachte handen en haar keurige presentatie met de vrouw die tegenover haar stond. Ze begreep niet hoe die ander ermee kon leven dat haar handen bijna mannelijk oogden, dat haar wenkbrauwen dik en ongelijk waren en dat haar haar slordig geverfd was en duidelijk al veel te lang geen kapper had gezien.
Maria, die haar hele volwassen leven met bijna fanatieke aandacht aan haar uiterlijk had besteed, wist op dat moment werkelijk niet meer wat ze moest denken.
Ze verliet het kantoor waar haar man werkte alsof ze in een waas liep. In haar hoofd leek iets te knappen.
