— Je hand valt er heus niet af als je even meehelpt met het ontvangen van de gasten! — snauwde Maria tegen haar schoondochter. Alleen had ze dit keer de verkeerde tegenover zich.
— Emma, jij doet toch de hele dag niets bijzonders. Je zit alleen maar thuis met dat kind, — herhaalde Maria, haar schoonmoeder, telkens weer. — Is het voor een jonge, gezonde vrouw werkelijk zo’n zware opgave om af en toe iets voor mij te doen? Ik vraag toch geen bergen van je. We zijn nu familie, maar jij gedraagt je, neem me niet kwalijk, alsof je een vreemde bent.
— Ik heb zelf meer dan genoeg te doen! Met een klein kind kun je geen minuut rustig zitten. Dat weet u heel goed, maar toch blijft u mij steeds met verzoeken lastigvallen, — beet Emma haar moedig toe.
— Ach, dat zijn allemaal smoesjes. Je doet het gewoon, daar ga je echt niet aan onderdoor, — hield Maria koppig vol.
— Ik heb er geen tijd voor, — bleef Emma bij haar standpunt.

’s Ochtends belde haar schoonmoeder geregeld op.
— Haal even boodschappen voor me. Ik heb je het lijstje per bericht gestuurd, — zei ze dan, zonder zich iets aan te trekken van Emma’s bezwaren.
— Nee, ik ga nu met Daan naar de kinderarts, — antwoordde Emma geërgerd.
— Nou en? Dan loop je onderweg toch even de supermarkt binnen. Je koopt wat nodig is, en vanavond brengt Jan het wel bij mij langs. Zo ingewikkeld is het niet, maar jij maakt er meteen weer een drama van, — mopperde Maria. — Met mijn verkoudheid moet ik zeker zelf door de winkels gaan rennen?
— U gaat echt niet dood van een wandelingetje. Misschien knapt u er zelfs van op. Voor mij komt het helemaal niet uit. En ik ben niet van plan met een ziekig kind door een supermarkt te dwalen.
— Waarom maak je overal zo’n punt van, Emma? Het kost je tien minuten, hooguit! — drong Maria aan. — Maar jij begint meteen ruzie te zoeken.
Uiteindelijk zei Emma telkens nee. Maria werd daar woedend om en beklaagde zich bij haar zoon over zijn zogenaamd harteloze vrouw.
Op een dag kwam Jan ermee aanzetten.
— Emma, mam heeft gevraagd of je vandaag bij haar langs kunt gaan. Ze heeft hulp nodig met de ramen wassen, vóór de feestdag. Ga je even? Dan blijf ik zolang bij Daan.
— Dat ontbreekt er nog aan! En wie wast dan mijn ramen? Jouw moeder soms, of komen de kaboutertjes? — schoot Emma uit haar slof. — Ik ben thuis nog niet eens aan de grote schoonmaak begonnen, er komt steeds iets tussen. Alsof ik zelf niet genoeg aan mijn hoofd heb. Waarom klampt jouw moeder zich voortdurend aan mij vast? Laat haar een schoonmaakbedrijf bellen. Of ze doet het zelf. Ze is geen gravin en ook geen honderd.
— Kom op, Emma, ga nou alsjeblieft, — probeerde haar man haar over te halen. — Anders blijft ze mij er eindeloos mee lastigvallen.
— Nee. Ik heb gezegd dat ik niet ga, en daarmee uit. — Emma week geen millimeter.
De volgende keer bedacht Maria weer iets nieuws.
— Emmaatje, in mijn inbouwkast — je weet wel, die enorme — heeft zich in de loop der jaren een hele berg kleding opgehoopt. Allemaal dure spullen, mooie merken, goede kwaliteit, nog keurig in orde. Veel ervan draag ik allang niet meer.
