Ze belde hooguit om over het weer te klagen. De boodschappen bleven precies liggen waar Emma ze had neergelegd. Langzaam begon ze zichzelf bijna gerust te stellen. Misschien was ze inderdaad gewoon oververmoeid. Misschien vergat ze meer dan ze wilde toegeven.
Maar vrijdagochtend ging de telefoon. Het was Anna.
‘Emma, lieverd, goedemorgen,’ klonk haar stem mierzoet. ‘Ik moet straks toch bij de apotheek zijn, ik kom langs jullie huis. Zal ik meteen even de planten water geven? Jan zei dat die ficus er zo zielig bij staat. Zonde van zo’n plant.’
‘Anna, ik heb hem gisteren nog water gegeven,’ bracht Emma in.
‘Ach kind, jij doet alles altijd vlug-vlug. Een scheutje hier, een scheutje daar. Planten hebben aandacht nodig, een ervaren hand. Maak je geen zorgen, ik ben zo weer weg. Ik kom binnen, giet wat water en vertrek weer. Zal ik misschien ook een pan soep voor jullie maken?’
‘Nee, dank je. We hebben genoeg te eten,’ zei Emma strak. Ze wilde haar schoonmoeder vooral niet weer in haar keuken hebben.
‘Zoals je wilt. Goed, ik moet rennen. Fijne dag, meisje.’
Op kantoor zat Emma de rest van de dag alsof ze op hete kolen zat. De cijfers in haar rapporten dansten voor haar ogen. Steeds opnieuw zag ze voor zich hoe Anna met haar sleutel de voordeur opende en de woning binnenstapte. Wat deed ze daar dan? Keek ze in kasten? Doorzocht ze zakken? Of liep ze rechtstreeks naar de koelkast?
Zodra Emma thuiskwam, gooide ze haar jas uit en haastte zich naar de keuken. Haar hart bonsde zo hard dat ze het in haar keel voelde.
De koelkast begroette haar met een kille leegte.
De beenham was weg. De roomboter met het piepkleine merkteken was verdwenen. Van de tien eieren lagen er nog maar twee in het doosje. En het ergste: het potje rode kaviaar, dat Emma in de aanbieding had gekocht en achter de augurkenpotten had verstopt voor oud en nieuw, was spoorloos.
Ze zakte op een kruk neer en drukte haar handen tegen haar gezicht. Dit was niet langer vreemd of zelfs belachelijk. Dit was brutaal. Schaamteloos. Diefstal, gewoon in haar eigen huis. En het bitterste was dat ze niet wist hoe ze Jan ervan moest overtuigen. Bewijs had ze niet. Anna kon doodleuk zeggen dat ze niets had aangeraakt. Dat Emma het zelf had opgegeten en het was vergeten. Of dat er überhaupt nooit kaviaar was geweest.
Die avond kwam het tot een pijnlijk gesprek.
‘Jan, de kaviaar is weg. En het vlees. En de boter,’ zei Emma terwijl hij zat te eten. Ze had haastig diepvriesdumplings moeten koken, omdat het geplande vlees verdwenen was.
Jan legde zijn vork neer. Zijn gezicht trok dicht.
‘Alweer? Emma, je maakt me ongerust. Misschien moet je eens naar een arts. Een neuroloog of zo. Hoe kan kaviaar nou zomaar verdwijnen?’
‘Je moeder is vandaag geweest.’
‘En dan? Ze kwam de planten water geven!’ Zijn stem schoot omhoog. ‘Denk je echt dat mijn moeder, een vrouw met een diploma, een voormalig docente, eten gaat stelen van haar eigen zoon? Waarom zou ze? Ze heeft pensioen, en ik geef haar elke maand wat extra.’
Emma verstijfde.
‘Jij geeft haar geld? Hoeveel?’
Jan keek weg en werd zichtbaar ongemakkelijk.
‘Nou… zo’n vijftig, soms zeventig euro. Voor medicijnen, voor rekeningen. Ze is alleen, Emma. Ze heeft het niet breed.’
‘Vijftig tot zeventig euro… Jan, wij hebben een hypotheek. We zijn al drie jaar niet op vakantie geweest. En jij geeft je moeder achter mijn rug geld?’
‘Het is mijn moeder!’ barstte Jan los. ‘Ik hoef jou niet over elke euro verantwoording af te leggen als ik mijn ouders help. En hou op met haar beschuldigen. Als jij vergeetachtig bent, of niet met boodschappen kunt omgaan, schuif dat dan niet op anderen af.’
Die nacht gingen ze voor het eerst in lange tijd naar bed zonder elkaar welterusten te wensen. Emma lag in het donker naar het plafond te staren en luisterde naar Jans gekrenkte ademhaling naast haar. In haar groeide iets kouds en vastberadens. Ze moest niet alleen achterhalen wat er gebeurde. Ze moest het bewijzen. Onweerlegbaar. Zo duidelijk dat Jan geen enkel excuus meer kon verzinnen.
De volgende dag, zaterdag, reed ze naar een elektronicazaak. Ze liet zich uitgebreid adviseren en bekeek verschillende camera’s. Wat ze nodig had, moest klein zijn, onopvallend, met opname op geheugenkaart en bewegingssensor.
‘Deze zou goed kunnen,’ zei een jonge verkoper in een geel shirt terwijl hij haar een klein zwart kastje liet zien. ‘HD-kwaliteit, neemt ook geluid op, werkt op een accu tot ongeveer een week. U kunt hem op een plank zetten of achter boeken verbergen.’
Thuis wachtte Emma tot Jan naar de garage was. Daarna begon ze met installeren. De beste plek bleek de bovenste plank van het keukenkastje, waar vazen stonden die ze bijna nooit gebruikte en een oud servies stof stond te verzamelen. Ze zette de camera tussen de suikerpot en een potje laurierblaadjes, met de lens gericht op de koelkast en een deel van het aanrecht. Van beneden was het apparaatje niet te zien, maar het beeld moest perfect zijn.
Nu had ze alleen nog lokmiddel nodig.
Op zondag vulde Emma, nadrukkelijk in Jans bijzijn, de koelkast tot de rand. Ze kocht dure plakjes gerookte worst, opnieuw een stuk goede kaas, een kilo gekoeld rundvlees, forel, fruit en een grote doos bonbons.
Jan keek met opgetrokken wenkbrauwen naar al die overvloed.
