Ook haar kaptafel was leeggeruimd. De flesjes parfum, de potjes crème, zelfs dat nieuwe badpak dat ze speciaal voor de vakantie had gekocht — alles was verdwenen.
Het was alsof Emma nooit in dit huis had gewoond.
De volgende dag kreeg Jan een bericht.
“Vaarwel, Jan. Als jij me geen zee kunt geven, dan regel ik die zelf wel. Ik ben tenslotte een mooie vrouw. Treur niet te veel om me en drink niet meer dan nodig is — nuchter ben je trouwens ook geen cadeau. Emma.”
Daaronder stond een foto.
Emma poseerde voor een felblauwe zee, met een hoed met brede rand op haar hoofd, een kort jurkje met een uitdagend decolleté aan en een cocktail in haar hand. Naast haar stond een lange man met een baard, gekleed in een hagelwit overhemd. Ze lachten allebei alsof ze de hoofdrollen speelden in een romantische film.
Jan bleef naar het scherm staren. Zijn hoofd weigerde te bevatten wat zijn ogen zagen. Was ze werkelijk met een andere man vertrokken? En hoe zat het dan met hun huis, hun huwelijk, hun zogenaamde gezinsleven? Met die stempel op papier die toch iets moest betekenen?
Drie dagen lang kwam hij nauwelijks van de bank af. Hij dronk. Eerst bier, daarna sterke drank, en uiteindelijk een donker goedje uit een plastic fles waarvan hij zich niet eens meer kon herinneren waar hij het had gekocht. De televisie stond aan, maar zonder geluid. Alleen het hongerige gemiauw van de kat sneed af en toe door de stilte; het dier leefde van restjes die het van tafel wist te stelen terwijl zijn baasje half verdoofd in de kamer lag.
Emma was weg, opgelost alsof ze nooit had bestaan.
Op de zevende dag kwam Anna terug. Ze stapte de woning binnen, bruingebrand, fris, met een zonnebril op haar neus en een koelkastmagneet in de vorm van een kameel in haar hand.
‘Mijn jongen, ik ben er weer!’ riep ze opgewekt. ‘Je gelooft nooit hoe heerlijk het daar was. De zee was zo helder als glas, het eten leek wel uit een restaurant. Goed, ik heb iets te veel druiven gegeten en daardoor een dag op mijn kamer moeten blijven, maar wat voor kamer! Uitzicht op het zwembad, prachtig gewoon. Maar zeg eens, waar is Emma?’
Jan zat in de fauteuil. Ongekamd, met stoppels op zijn gezicht, in een onderbroek en een uitgelubberd hemd. Voor hem stonden een lege fles en een bord koude pasta.
‘Emma is aan zee,’ zei hij schor. ‘Met haar minnaar. Ze is vertrokken de dag nadat jij wegging, mam. Ze stuurde een bericht dat ik haar geen zee had gegeven. En daarna een foto. Daar staat ze met een cocktail, tegen zo’n baardmans aangeplakt.’
Anna verstijfde. Een volle minuut zei ze niets. Toen barstte ze los.
‘Wat is dit nu weer voor onzin? Wat voor krankzinnigheid is dit? En jij, slappeling, hebt je vrouw zomaar laten weglopen? Ben jij een man of niet? En wie is die baardmans eigenlijk?’
