‘Waar zat jij eigenlijk toen ze haar koffers stond te pakken?’
‘Ik was aan het drinken.’
‘Natuurlijk.’ Anna sloeg met haar hand tegen haar voorhoofd. ‘Waarom vraag ik het nog? Jij zat te zuipen. En ondertussen nam zij de benen, hand in hand met haar minnaar, richting zon en zee. Voor die vrouw is kennelijk niets heilig. En jij blijft hier zitten als een natte dweil. Bah, Jan. Sta op. Nu meteen. Ga achter haar aan. Zoek haar op.’
Jan trok zijn mond scheef, bijna alsof hij glimlachte.
‘Waarvoor, mam? Ze heeft het duidelijk genoeg geschreven: “Vaarwel.” Daar valt weinig aan toe te voegen. En trouwens…’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ze heeft nu alles wat ze wilde. Geld, haar paspoort, misschien zelfs geluk.’
‘Ach, Jan toch… Jan… Wat ben jij toch een dwaas.’ Anna liet zich zwaar op een stoel zakken en staarde naar de vloer. ‘En ik, oude idioot die ik ben… Ik heb alles verpest. Jullie hadden dat ticket voor Emma moeten kopen, niet voor mij.’
Er verstreek een maand. Emma kwam niet terug.
Via foto’s op sociale media ontdekte Anna dat Emma helemaal niet in Turkije zat, maar op Cyprus. Daarna dook ze op in Rome. Vervolgens in Parijs. Op elke opname straalde ze. Ze lachte, poseerde, stond voor de Eiffeltoren in een jurk met de kleur van gerookte zalm. De bebaarde man bleek Mark te heten: gescheiden, ondernemer, woonachtig in Europa.
Onder een van de foto’s had Emma geschreven: ‘Wanneer een vrouw ophoudt een wonder van haar man te verwachten, vindt ze dat wonder zelf wel.’
Niet lang daarna vielen ook de scheidingspapieren op de mat. Jan nam niet eens de moeite ze aandachtig door te lezen. Hij zette zijn handtekening waar het moest, alsof hij een pakketje aannam, en bracht de envelop terug naar het postkantoor.
Anna zat in de keuken. In een paar weken tijd leek haar haar veel grijzer geworden. Met een gebroken stem mompelde ze:
‘Ik wilde alleen maar dat mijn zoon het goed zou hebben… En kijk nu. Hij is alleen achtergebleven. Zij wilde zo graag naar de zee, en nu is er alleen eenzaamheid en schande.’
Nog eens twee weken gingen voorbij. Op een dag klonk de bel.
Jan deed met tegenzin open. In de deuropening stond Emma. Mooi, verzorgd, met een stijlvolle blouse aan en een zachte mediterrane bruine tint op haar huid. Hij staarde haar aan alsof zijn ogen hem bedrogen.
‘Hoi, Jantje,’ zei ze luchtig, terwijl ze naar binnen stapte alsof ze nooit was weggeweest. ‘Ik moet wat spullen ophalen. Oude foto’s, papieren, dat soort dingen. Vind je dat goed?’
Hij knikte zwijgend. Een tijdlang bleef hij maar staan. Toen vroeg hij eindelijk:
‘Ben je… gelukkig met Mark?’
‘Ja,’ antwoordde ze zonder aarzeling. ‘Heel gelukkig zelfs. Maar het belangrijkste is dat hij mij respecteert. Jij hebt dat nooit gedaan.’
‘Omdat ik toen dat ticket voor mijn moeder kocht en niet voor jou?’
‘Nee, Jan. Omdat je haar altijd boven mij hebt gekozen. Altijd. Bij de auto, bij vakanties, zelfs wanneer ik je vroeg om één avond met z’n tweeën.’
