In de maanden daarna vroeg Mark af en toe bij gezamenlijke kennissen naar Sanne. Hij deed alsof het hem nauwelijks interesseerde, alsof het zomaar in hem opkwam. Werkte ze nog op dezelfde plek? Had iemand gehoord dat ze wilde verhuizen? Ging ze nog weleens alleen een weekend weg?
Tegen zijn moeder zei hij een keer dat Sanne vast vooral uit koppigheid deed alsof haar leven prima verliep.
De enige die dat soort opmerkingen al snel niet meer kon aanhoren, was Joost. Ze kenden elkaar nog uit hun studietijd. Jarenlang waren ze bij elkaar over de vloer gekomen, hadden ze geholpen met klussen en waren ze samen eropuit getrokken. Joost kende Sanne bovendien goed genoeg om niet zomaar alles aan Marks kant te leggen.
Op een avond begon Mark opnieuw over zijn ex-vrouw. Met een scheve glimlach zei hij:
‘Ach, laat er maar wat tijd overheen gaan. Dan zien we vanzelf wie van ons tweeën beter uit die scheiding is gekomen.’
Joost schoof zijn bord een stuk van zich af en keek hem strak aan.
‘Waarom zit jij er eigenlijk steeds op te wachten dat het slecht met haar gaat?’
‘Dat doe ik helemaal niet.’
‘Hou dan op met naar haar te informeren. Jij bent weggegaan. Jij hebt nu je eigen leven. Sanne heeft dat van haar ook.’
Mark ergerde zich onmiddellijk. Niet alleen aan de woorden, maar vooral aan de toon. Alsof zijn oude vriend ineens had besloten niet meer aan zijn kant te staan.
‘Mooi hoor, de verdediger heeft gesproken.’
‘Ik verdedig niemand,’ antwoordde Joost. ‘Ik snap alleen niet wat je hiermee probeert te bereiken.’
Daarna liep het gesprek stroef dood. Mark belde Joost een paar keer expres niet terug, en Joost drong zich ook niet op. Een paar maanden later bestonden hun contacten vooral nog uit korte felicitaties bij verjaardagen. Daarna verwaterde het bijna helemaal.
Mark vond dat niet dramatisch. Volgens hem gebeurde dat nu eenmaal: mensen werden ouder en groeiden uit elkaar.
Anderhalf jaar later kwam hij Sanne onverwacht weer tegen bij een winkelcentrum.
Hij liep met een tas boodschappen richting zijn auto toen hij eerst haar gezicht herkende. Pas daarna viel hem op waarom ze langzamer liep dan vroeger. Onder haar lichte jas tekende haar buik zich duidelijk af.
Ook Sanne zag hem. Ze bleef staan.
‘Hallo,’ zei ze.
‘Hoi. Nou, dat is nieuws.’
Hij glimlachte automatisch. Toch kon hij de vraag niet inslikken.
‘Al lang?’
Sanne keek hem even niet-begrijpend aan.
‘Wat bedoel je?’
‘Nou… dit.’
Hij maakte een vaag knikje in haar richting. Toen begreep ze het.
‘Lang genoeg.’
Om een reden die hij zelf niet goed kon uitleggen, wilde Mark het gesprek rekken. Over de parkeerplaats reed langzaam een auto voorbij. Een vrouw naast hen legde tassen in haar kofferbak. Iemand duwde een winkelwagentje terug onder de overkapping. Sanne leek geen haast te hebben, maar ze maakte ook niet de indruk dat ze hem iets wilde toevertrouwen.
‘Dus je leven is toch op zijn pootjes terechtgekomen?’ vroeg hij, met precies die glimlach waarmee hij vroeger gesprekken over haar toekomst had afgesloten.
‘Ja.’
‘Ben je gelukkig?’
Sanne schoof de riem van haar tas iets beter over haar schouder. Zonder scherpte, zonder triomf, zei ze:
‘Ja, Mark. Ik ben gelukkig.’
Het klonk zo eenvoudig en alledaags dat hij niet meteen wist wat hij daarop moest zeggen. Had ze nu een lang verhaal afgestoken, dan had hij tenminste geweten hoe hij haar woorden moest plaatsen.
