Emma deed de deur achter de oppas dicht en bleef even met haar hand op de klink staan.
‘Ik hoop eerlijk gezegd dat dat niet nodig zal zijn,’ mompelde ze.
Bas keek haar vanaf de gang aan. ‘Ga je Sanne niet bellen?’
‘Dat was ik net van plan.’ Emma pakte haar telefoon en zocht het nummer van haar schoonzus op. In haar hoofd had ze de eerste verwijten al klaar: hoe haalde Sanne het in haar hoofd om zo laat niets van zich te laten horen? Maar ze kreeg niet eens de kans om iets te zeggen. De lijn ging eerst eindeloos over, daarna werd de verbinding abrupt verbroken. Toen Emma opnieuw belde, stond de telefoon uit.
‘Nou ja zeg!’ barstte ze los. ‘Ze gedraagt zich alsof ze zestien is. Wie zet er nu midden in de nacht zijn telefoon uit?’
De volgende twee uur bleef Emma het proberen. Steeds opnieuw drukte ze op bellen, telkens met hetzelfde resultaat. Geen gehoor. Langzaam maakte ergernis plaats voor echte onrust. Het was inmiddels diep in de nacht. Wat als er onderweg iets gebeurd was? Wat als ze in die kroeg in de problemen was geraakt?
Uiteindelijk belde Emma haar broer. Mark nam slaperig op en leek de eerste halve minuut niet eens te begrijpen wat ze zei.
‘Ik wil graag weten waar jouw vrouw uithangt,’ zei Emma scherp.
‘Hoe bedoel je, waar Sanne is?’ klonk het verward. ‘Ze is toch bij jullie? Met de kinderen?’
‘De kinderen liggen allang te slapen. Sanne is nog steeds niet terug van haar vriendin. Ik probeer haar al uren te bereiken, maar haar mobiel staat uit. Mark, ik begin me echt zorgen te maken. Niemand weet wat er in zo’n bar of onderweg naar huis kan gebeuren. Moeten we de politie niet bellen?’
‘De politie?’ Mark was op slag wakker. De slaap verdween uit zijn stem alsof iemand een lamp had aangeknipt. ‘Wacht. Ik probeer haar zelf wel te pakken te krijgen.’
Maar ook Mark kreeg geen contact met zijn vrouw. Dat maakte hem zichtbaar wanhopig, al hoorde Emma dat alleen aan zijn ademhaling en afgebroken zinnen. Hij zat in een andere stad en kon niets doen behalve bellen, wachten en opnieuw bellen. Het liep tegen drie uur ’s nachts, en Sanne bleef onbereikbaar.
Bij Emma ging het niet beter. Haar gedachten sloegen op hol en kozen telkens de donkerste richting. Ze zag al voor zich hoe er ’s ochtends agenten op de stoep zouden staan met nieuws dat ze nooit wilde horen.
‘Ga toch liggen, lieverd,’ zei Bas, die als enige nog min of meer rustig bleef. Af en toe werd hij wakker, draaide zich naar haar toe en probeerde haar te kalmeren. ‘Met Sanne is vast niets aan de hand. Je kent haar toch? Ze haalt haar feest in en komt daarna vanzelf weer opdagen.’
‘Juist omdat ik haar ken, maak ik me zorgen,’ fluisterde Emma. ‘Sanne heeft altijd al naar avontuur gezocht. Misschien heeft ze vanavond weer iets gevonden.’
Omdat de hoofdpijn door de spanning alleen maar erger werd, legde Emma de pijnstillers opzij en nam uiteindelijk een kalmerend tabletje. Nauwelijks had ze dat doorgeslikt, of haar telefoon lichtte op.
Pas rond zes uur in de ochtend liet Sanne iets van zich horen. Ze stuurde Emma een foto en daaronder een luchtig bericht: ‘Hoi. Ik ben een beetje blijven hangen met mijn vriendin. Ik ben zo thuis.’
