— Ja, maar… — Jan keek haar niet aan. — Ze bedoelt het goed.
— En ik dan?
Die vraag bleef tussen hen in hangen. Jan trok de koelkast open en boog zich erin alsof daarbinnen plotseling iets van levensbelang lag.
De volgende dag stond Maria opnieuw voor de deur. Dit keer had ze gezelschap meegenomen: een magere jongen met een verfroller onder zijn arm, die eruitzag alsof hij zijn besluit nu al diep betreurde.
— Dit is Max. Hij werkt snel, dan zijn we er zo vanaf — commandeerde Maria, alsof zij de eigenaresse van het huis was. — Begin maar met het plafond.
— Maria, kunnen we misschien wachten? Jan heeft het nog niet eens gezien…
— Waarom zou je hem hiermee lastigvallen? Mannen hebben toch geen verstand van inrichting. — Terwijl ze sprak, begon ze al speelgoed uit de babykamer te halen. — Dit is vrouwenwerk.
Vreemd genoeg werd alles ineens wél mannenwerk zodra er over de kosten van de verbouwing gesproken moest worden.
Emma trok zich terug in de keuken. Met haar handen op haar buik luisterde ze hoe vreemden haar zorgvuldig opgebouwde nest uit elkaar haalden. Haar zoontje bewoog onrustig, alsof ook hij protesteerde.
— Dikker aanbrengen! Je ziet het geel er nog doorheen! — riep Maria vanuit de kamer.
Tegen de avond was de babykamer blauw. Niet zacht of warm, maar kil. Alsof de ruimte niet langer bij haar hoorde.
— Nou? — Maria bekeek tevreden het resultaat. — Nu zie je tenminste dat hier straks een jongen opgroeit.
Emma bleef in de deuropening staan. Ze herkende de kamer nauwelijks terug; dezelfde kamer waarin ze nog zo kort geleden met liefde elk detail had neergezet.
Een week later verscheen Maria met gordijnen. Donkerblauw, met strakke strepen.
— Die konijntjes passen hier niet meer. Een jongen heeft een serieuze omgeving nodig.
Zonder te vragen haalde ze de oude gordijnen al van de roede. Juist die gordijnen die Emma samen met Jan had gekocht op die stralende dag waarop ze hadden gehoord dat er een baby kwam.
— Maar die zijn nog nieuw…
— Nieuw betekent niet automatisch goed.
Er knapte iets in Emma. Zacht, bijna onhoorbaar, maar voorgoed.
— Stop daarmee.
— Wat zeg je?
— Leg die gordijnen neer. Nu.
Maria draaide zich langzaam om, de stof nog in haar handen.
— Ben je niet goed bij je hoofd?
— Dit is mijn huis. En dit is mijn babykamer.
Maria keek haar aan alsof Emma ineens een onbekende taal sprak.
— Jouw huis? Dit is het huis van mijn zoon!
— Uw zoon staat hier ingeschreven. Maar de woning is van mij.
— Hoe durf je zo tegen me te praten? — Maria werd bleek; de gordijnen gleden uit haar vingers. — Ik doe alles voor jullie. Ik denk aan mijn kleinkind!
— U denkt alleen aan uzelf. Aan hoe u alles naar uw hand kunt zetten.
Emma liep naar de kast.
