Maarten haalde zijn schouders op, alsof hij mij iets heel redelijks uitlegde.
‘Sanne, kijk nou zelf eens,’ begon hij, op precies die toon die hij ook gebruikte wanneer hij weer eens uitlegde waarom hij onmogelijk mee kon naar de volkstuin om te helpen spitten. ‘Het zit hier nu vol bacteriën en virussen. De ventilatie is waardeloos. Ik ga naar mijn moeder. Een paar dagen op haar bank slapen, tot jij hier een beetje… uitgeziekt bent.’
‘Je gaat weg?’ Mijn eigen stem herkende ik nauwelijks. Schor, dun, vernederend zwak.
‘Ik heb bijna veertig graden koorts. Misschien heb ik hulp nodig.’
‘Dan bel je toch de huisartsenpost!’ zei hij, oprecht verbaasd dat ik daar niet zelf op kwam. ‘Je telefoon ligt naast je. Wat kan ik nou doen? Ik ben geen arts. Straks lig ik hier ook plat en dan liggen we met z’n tweeën te kreunen. Wie schiet daar iets mee op? Als ik gezond blijf, kan ik tenminste werken. Geld verdienen. En boodschappen voor je halen… later. Dan zet ik ze wel voor de deur.’
Later.
In de hal rommelde hij verder. Ik hoorde hoe hij de koelkast opentrok. Glas tikte tegen glas. Een plastic tas ritselde.
‘Ik heb trouwens de citroenen meegenomen, goed?’ riep hij vanaf de voordeur. ‘En de honing ook. Mijn moeder vroeg erom, die had niets meer in huis. Jij mag nu toch niet te veel zoetigheid, dat belast je alleen maar.’
Ik bleef liggen en staarde naar het glas water bij de drempel. Drie meter verderop. Het had net zo goed aan de andere kant van de stad kunnen staan.
Hij nam de citroenen mee. Hij nam de honing mee. Hij nam zijn kostbare gezondheid mee, zorgvuldig opgeborgen in een sporttas.
‘Heb je je sleutels?’ vroeg ik. Meer kwam er niet in me op. Een ingesleten reflex van een vrouw die al veel te lang getrouwd was.
‘Ja, ja, heb ik. Maak je geen zorgen. Jij moet beter worden, Sanne. Veel drinken. En eh… bel voorlopig maar even niet, oké? Ik wil slapen voor ik moet werken, en jouw stem klinkt zo ziek. Daar word ik zenuwachtig van.’
Het slot klakte dicht als een schot.
Nog een draai.
Daarna niets meer.
Eén volwassene
Ik was alleen achtergebleven. In huis hing een mengsel van zijn aftershave en mijn zweet. Op het nachtkastje trilde mijn telefoon. Een melding van de bank lichtte op: Betaling. Supermarkt. €3,50. Blijkbaar had hij nog snel iets voor onderweg gekocht.
Vreemd genoeg brak er geen paniek uit. Met Maarten was ook die kleverige, nerveuze onrust de woning uit verdwenen. Niemand zeurde nog. Niemand liep bang te doen dat hij besmet zou raken. Niemand eiste dat ik hem verzekerde dat alles veilig was.
Ik stak mijn hand uit en pakte mijn telefoon. Het scherm danste voor mijn ogen, maar mijn vingers wisten de weg nog.
De bezorgapp. Alles wat nodig was. Vitamines. Neusspray. Cranberrysap. Kippenbouillon.
Wachttijd: 15 minuten.
Precies een kwartier later ging de bel. Wankelend, met mijn hand langs de muur, sleepte ik mezelf naar de gang. Aan de deurklink hing een tas.
De jonge bezorger kreeg ik niet eens te zien.
