“Moet ik daar nu tussen jouw… nou ja, die virussen gaan graaien?” zei Maarten, terwijl hij zijn rug tegen het kozijn drukte en afstand hield

Verhalen
Koud, egoïstisch en pijnlijk afstandelijk.

‘Negenendertig komma twee,’ zei ik tegen de lege kamer.

Mijn stem klonk dof en ver weg, alsof hij ergens onder een dikke laag watten vandaan kwam.

Maarten stond in de deuropening van de slaapkamer. De kamer zelf had hij al zeker drie uur niet meer betreden, sinds mijn eerste niesbui. Hij drukte zijn rug tegen het kozijn, alsof die paar extra decimeters afstand hem konden beschermen tegen alles wat inmiddels door ons tweekamerappartement zweefde.

‘Zie je nou wel,’ mompelde hij, terwijl hij de mouw van zijn oude T-shirt over zijn neus trok. ‘Ik zei toch dat je niet met de metro had moeten gaan. Heb ik dat gezegd of niet?’

Het plafond draaide langzaam tegen de klok in. Waar ik geen behoefte aan had, was een preek. Waar ik wél naar verlangde, was een glas frisse, zure bessendrank en iemand die even mijn scheefgezakte kussen rechtlegde.

Maar Maarten bleef op afstand. Keurig buiten bereik, alsof hij in een rij bij de kassa stond.

Een vreemde in zijn eigen huis

‘Maarten, wil je me alsjeblieft wat water brengen? En kijk meteen even in het medicijnkastje, er lag volgens mij nog iets tegen koorts.’

Hij verplaatste zijn gewicht van de ene voet naar de andere. In zijn houding herkende ik iets wat ik in vijfentwintig jaar huwelijk maar al te vaak had gezien zodra er problemen opdoken: de drang om te verdwijnen. Op te lossen in de lucht. Onzichtbaar te worden tot alles vanzelf voorbij was.

‘Sanne, serieus?’ Hij lachte kort en zenuwachtig, maar zijn ogen bleven kil. ‘Moet ik daar nu tussen jouw… nou ja, die virussen gaan graaien?’

Hij trok zijn schouders op.

‘Luister, ik heb morgen een afspraak met opdrachtgevers. Een belangrijk project. Als ik straks ook platlig, lopen we geld mis. Heb je daar eigenlijk wel aan gedacht?’

Ik kneep mijn ogen dicht.

Of ik aan geld had gedacht, terwijl elke spier en elk gewricht in mijn lichaam aanvoelde alsof iemand ze met geweld uit elkaar draaide?

‘Water, Maarten. Gewoon water.’

Hij verdween de gang in. Even later hoorde ik in de keuken de kraan opengaan. In de rinkelende stilte klonk dat stromende water bijna spottend hard.

Na een minuut kwam hij terug, maar hij zette geen voet over de drempel. Het glas plaatste hij op de vloer bij de ingang van de kamer.

‘Pak het maar als ik weg ben.’

Het leek alsof hij een wild dier in een dierentuin voerde. Ik staarde naar dat glas, en er kroop een koude rilling langs mijn rug omlaag. Kleverig, onaangenaam.

En toen begon datgene waarvoor ik bang was geweest, al had ik het misschien mijn hele leven al zien aankomen.

In de gang klonk de rits van een sporttas.

Rrrts.

Stilte.

Rrrts.

Met moeite duwde ik mezelf op één elleboog omhoog. Mijn hoofd voelde log en zwaar, alsof het van gietijzer was.

‘Waar ben jij mee bezig?’

Vlucht met citroenen

Maarten stak zijn hoofd om de hoek van de gang. Hij had zich al omgekleed: spijkerbroek, schone trui. Over zijn gezicht droeg hij een mondkapje.

In zijn eigen huis.

Bij Wieke Thuis