‘Emma, liefje, jouw mening is hier niet waar het om draait, begrijp je dat? Wij zijn familie. En jij doet alsof we vreemden zijn die je iets verschrikkelijks aandoen. Morgen om twee uur. Zorg dat je het niet vergeet.’
‘Maar ik zeg toch net…’
‘Mooi, dan spreken we elkaar morgen. Kus!’
De verbinding werd verbroken.
Een paar tellen bleef Emma naar het donkere scherm kijken. Er trok iets heets door haar borstkas, een mengeling van woede en ongeloof die haar bijna benauwde. Met een ruk gooide ze haar telefoon op de bank en begon door de kamer te lopen: drie passen heen, drie passen terug, als een dier dat tegen de tralies van zijn kooi botst.
Dus haar mening deed er niet toe. Prachtig. Werkelijk fantastisch.
Abrupt bleef ze staan.
Nou, reken daar maar niet op, lieve tante.
Ze griste haar telefoon weer van de bank en tikte in haar contacten op ‘Mama’.
‘Hallo? Emma?’ De stem van haar moeder klonk warm, maar ook verbaasd. ‘Is er iets aan de hand?’
‘Hoi mam. Luister, ik wil graag naar je toe komen. Morgen al. Voor een weekje, misschien iets langer.’
Aan de andere kant bleef het even stil.
‘Morgen?’ zei haar moeder uiteindelijk. ‘Maar lieverd, je bent pas een maand geleden nog geweest.’
‘Weet ik. Toch moet het even. Ik kan op afstand werken, dus het maakt niet uit waar ik zit. Vind je het goed als ik kom?’
Weer volgde een korte stilte. Emma kon zich moeiteloos voorstellen hoe haar moeder haar wenkbrauwen fronste en probeerde te raden wat er werkelijk speelde.
‘Natuurlijk mag je komen. Je weet toch dat ik daar altijd blij mee ben. Maar weet je zeker dat alles goed met je gaat?’
‘Ja, mam. Echt. Ik mis je gewoon.’
Ze beëindigde het gesprek en merkte dat er vanzelf een glimlach om haar mond kwam. Morgen rond lunchtijd zou tante Saskia met haar hele gezelschap voor een afgesloten voordeur staan. Ze konden bellen tot hun vingers pijn deden, op de deur bonzen, de hele galerij bij elkaar schreeuwen; de bewoonster zou er niet zijn. Niet even naar de supermarkt. Niet op visite bij een vriendin. Nee, in een andere stad, bijna driehonderd kilometer verderop.
Emma opende de app voor treinkaartjes. De vroege trein van kwart voor zeven. Perfect. Tegen de tijd dat Saskia haar trapportaal bereikte, zou zij al aan de keukentafel van haar moeder zitten met een mok thee in haar handen.
Familie mocht dan zogenaamd alles zijn, maar soms was het hoog tijd dat ook familie leerde wat ‘nee’ betekende.
In de trein luisterde Emma naar het regelmatige ritme van de wielen over de rails. Af en toe dacht ze aan het gezicht van haar tante, daar voor die gesloten deur. Haar oogleden werden zwaar, haar hoofd bonsde van de korte nacht, maar vanbinnen voelde ze zich wonderlijk kalm.
Haar moeder stond haar op het perron op te wachten, sloot haar stevig in haar armen en nam haar mee naar huis. Daar zette ze pannenkoeken met kwark voor haar neer, schonk thee in en wees daarna resoluut naar de logeerkamer.
‘Praten doen we later wel,’ zei ze terwijl ze de lege mok van tafel pakte. ‘Eerst slapen.’
Emma viel weg zodra haar hoofd het kussen raakte.
Ze werd wakker van het schelle gerinkel van haar telefoon. Op de tast vond ze het toestel op het nachtkastje en met moeite kreeg ze haar ogen scherp genoeg om het scherm te lezen. ‘Tante Saskia.’
‘Emma!’ De stem van Saskia barstte door de lijn.
