Hij vroeg het zelf, voor het eerst sinds alles begonnen was.
‘Mam, kom je zaterdag? Dan kunnen we naar het park. Oma gaat nooit met me mee.’
Ik hield mijn telefoon met beide handen vast, alsof hij anders uit mijn vingers zou glijden.
‘Deze zaterdag niet, Jan.’
‘En de zaterdag daarna?’
‘Ik bel je morgen om acht uur weer. Heb je je tanden gepoetst?’
Hij zei dat hij dat had gedaan. Daarna namen we afscheid. Ik bleef nog een hele tijd bij het raam staan en keek naar kinderen van anderen die beneden op stepjes over het plein scheurden. Dat was de enige keer dat ik er bijna naartoe was gegaan.
Begin juni belde mijn schoonmoeder uit zichzelf.
‘Emma, haal hem voor het weekend op. Hij staat om zes uur al naast mijn bed en ik moet ’s middags echt even liggen. Hij is niet te stoppen.’
‘Zo hebben we het niet afgesproken, Anna.’
‘Hoezo niet afgesproken? Het is jouw kind.’
‘Ja. Mijn kind. En ik leen hem niet aan u uit. Ik haal hem op om hem hier te houden, of ik haal hem niet op.’
Ze verbrak de verbinding. Tien dagen later belde ze opnieuw. Dit keer klonk ze niet meer alsof ze mij ter verantwoording riep.
‘Emma, al is het maar voor een week. Mijn hele huis staat op zijn kop.’
‘Nee.’
Die nacht stuurde Sanne een bericht: “Ben jij nou moeder of niet? Je kind zit bij vreemde mensen en jij speelt de koppige.” Ik antwoordde niet. Lisa zette op mijn werk een glas thee voor me neer en vroeg zonder omwegen:
‘Emma, waar ben jij in vredesnaam mee bezig?’
‘Ik ben nergens mee bezig. Ik wacht.’
‘Waarop?’
‘Tot het ophoudt.’
Op twintig juni stond Anna ineens voor de deur. Zonder aankondiging, met een taxi gekomen. Jan stond naast haar op de galerij, in nieuwe sandalen, met een geruite tas in zijn handen. Die tas kwam bijna tot aan zijn knieën.
‘Neem hem mee,’ zei Anna.
Ik liet mijn zoon binnen. Hij rende meteen naar zijn kamer, alsof hij terugkwam van een schoolkamp en wilde controleren of alles er nog stond.
‘Waar is Mark?’ vroeg ik.
‘In het noorden van het land. Twee maanden weg voor werk. Hij stuurde me een berichtje, kun je je dat voorstellen? Zijn eigen moeder, en dan een berichtje.’
Ze bleef op de drempel staan. Ze kwam niet naar binnen. In die vijf weken was ze kleiner geworden, eerlijk waar.
‘Ik heb hem naar de opvang gebracht. De eerste dagen huilde hij. Hij wachtte op jou.’
Ik zweeg.
‘Zo dom ben je blijkbaar toch niet,’ zei ze uiteindelijk. ‘Ik dacht dat je na drie dagen al voor de deur zou staan. Maar je hebt het uitgehouden.’
‘Ik heb het uitgehouden.’
‘En dat appartement schrijf ik nu niet meer op zijn naam. Hij heeft het niet verdiend.’ Ze trok haar sjaaltje recht. ‘Denk maar niet dat ik me tegenover jou sta te verontschuldigen.’
‘Dat denk ik ook niet.’
Ze ging weg zonder “sorry” te zeggen en zonder “dank je wel”. De liftdeur sloeg dicht. Daarna werd het stil.
In de badkamer begon water te lopen. Jan waste zijn handen en neuriede iets, waarbij hij zoals altijd de helft van de woorden verkeerd zong. Ik liet me in de gang op het kleed bij de kapstok zakken en strekte mijn benen uit. Daar bleef ik zitten tot de kraan weer dichtging. Voor het eerst in een half jaar dreunde mijn achterhoofd niet.
Hoe de rechtszaak afliep, moet ik netjes op volgorde vertellen, want vanzelf ging het niet.
In juni verscheen Mark niet op de zitting. In juli kwam hij voor de tweede keer niet opdagen. De rechter liet zijn verzoek buiten behandeling; zo heet dat wanneer degene die de zaak begint twee keer wegblijft. Daarna heeft hij bij niemand meer om de jongen gevraagd.
Ons huwelijk werd in april ontbonden. Op hetzelfde moment werd ook de kinderalimentatie vastgesteld. Het appartement werd in de herfst in twee gelijke delen verdeeld, en ook bij die procedure liet Mark zich geen enkele keer zien.
In februari van het jaar daarop stapte ík naar de rechter. Niet om hem dwars te zitten. Erik zei dat er een officieel stuk moest komen, anders kon Mark over twee jaar ineens weer opduiken met een nieuw verzoek. Ik vroeg om vast te leggen dat Jan bij mij woonde. De instantie die de thuissituatie moest beoordelen kwam opnieuw langs, keek naar zijn bed, naar de koelkast, naar de kamer, en schreef dat de omstandigheden in orde waren. Mark verscheen niet. De rechter legde vast dat Jan zijn hoofdverblijf bij mij had. Dat papier ligt in dezelfde map als de betalingsbewijzen.
Jan is nu dertien. Hij zit op zwemmen; zijn trainingsschema hangt op de koelkast, nog steeds onder dezelfde magneet met een madeliefje.
Ik ben inmiddels senior baliemedewerker. Onder mij vallen twee vestigingen en drie meiden. Mijn helft van het appartement heb ik verkocht; met wat ik erbij had gespaard kocht ik een kleine eenkamerwoning met hypotheek. Schoenen voor mijn zoon koop ik tegenwoordig precies in zijn maat. Elk jaar opnieuw.
Mark liet na twee jaar weer iets van zich horen. De alimentatie komt soms binnen, maar vaker niet. De deurwaarders halen hun schouders op. Toen Jan negen werd, kwam Mark langs met een doos bouwstenen. Hij bleef veertig minuten. Daarna vroeg Jan of papa nog vaker zou komen. Ik zei dat ik het niet wist. Hij heeft het nooit meer gevraagd.
Anna verkocht het appartement in Workum en trok bij Sanne in. Haar kleinzoon feliciteert ze twee keer per jaar via een berichtje, steeds met dezelfde woorden. Tegen mij heeft ze nooit één keer “vergeef me” gezegd. In de familie gaat nog altijd het verhaal rond dat ik de jongen bij zijn vader heb gedumpt zodat ik zelf vrij kon rondlopen.
In mei kwam Jan terug van training. Hij bleef in de deuropening van de keuken staan.
‘Mam. Is het waar dat jij mij toen zelf hebt weggebracht?’
Zijn neef had het hem verteld, de oudste van Sanne.
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat is waar.’
Hij bleef even staan, knikte en ging naar zijn kamer. Een tweede vraag kwam er niet. Wat hij daar over een jaar of zeven mee zal doen, weet ik niet.
Afgelopen zaterdag kwam Sophie uit de derde portiek bij me langs. Ze zat op een kruk aan mijn keukentafel, kneep een servet tot een prop en vertelde dat haar man dreigde Eva mee te nemen. Hij had een advocaat, zei ze, en zijn moeder stond achter hem, en alle troeven lagen volgens hem aan zijn kant.
‘Emma, hoe deed jij dat toen? Misschien moet ik het ook zo aanpakken?’
‘Waag het niet,’ zei ik. ‘Jij gaat papieren verzamelen. Vraag via de rechtbank zijn bankafschriften op, bewaar bonnen, verklaringen, alles wat je kunt vinden. En ga naar een jurist met een map onder je arm, niet alleen met tranen.’
‘Maar jij hebt hem toch zelf meegegeven.’
‘Ja. Dat heb ik gedaan. Alleen was ik toen geen heldin, Sophie. Ik was gewoon op. Ik rekende uit dat ik een half jaar procederen niet zou volhouden, en dat hij nog geen maand zou trekken. Ik gokte erop dat hij eerder zou breken dan ik. En ik zette Jan in als inzet.’ Ik schonk thee voor haar in. ‘Ik kreeg gelijk. Maar ik had er ook naast kunnen zitten.’
Ik heb toen met mijn kind geriskeerd. Had ik gelijk, of mag je zoiets met kinderen nooit doen?
In mijn gang staan zijn sneakers. Maat eenenveertig, precies goed. Op de groei koop ik niets meer.
