– In juni. Na de zitting, zo zei ze het.
– Heeft ze dat zelf tegen jou gezegd? Waar jij bij was?
– Aan tafel, met Pasen. Sanne nam een trek van haar sigaret en tikte de as op het asfalt. – “Als hij die jongen in huis haalt, gaan we naar de notaris.” Zo zei ze het. En ik zat erbij en hield mijn mond.
– Waarom vertel je mij dit dan?
– Omdat die flat mij ook niet helemaal niets kan schelen. Ik heb er twee thuis rondlopen. Meer is het niet.
Op donderdag belde Mark. Hij zei dat hij Jan in de meivakantie kwam halen. En dat hij hem daarna niet meer terug zou brengen.
Op veertien mei stonden ze ineens voor de deur. Met z’n tweeën, zonder vooraf te bellen, ergens halverwege de middag. Jan zat op de opvang. Mijn schoonmoeder ging in de keuken op een kruk zitten. Mark bleef in de deuropening staan, als een monteur die was langsgekomen om naar de leidingen te kijken.
– Luister goed. Jij doet afstand van je helft van de woning en van alimentatie. Dan trek ik mijn verzoek over Jan bij de rechtbank in. Voor jou is dat beter, Emma. Ik probeer het netjes op te lossen.
– En als ik niets teken?
– Dan procederen we door tot de winter. Mijn verzoek ligt in het dossier en ik haal het er niet uit. En al die maanden ga jij slapen en wakker worden met maar één gedachte: bij wie laten ze die jongen, bij jou of bij mij? – Hij bewoog zijn hoofd een beetje, alsof hij medelijden met me had. – Reken dus zelf maar uit wat die helft je waard is.
Hij besefte niet eens dat hij het belangrijkste hardop had gezegd. Jan wilde hij niet omdat hij hem wilde opvoeden. Hij had hem nodig om mij bij de keel te kunnen grijpen.
Anna boog zich naar de tas bij haar voeten en haalde er een plastic zak uit. Daarin zaten de laarzen. Precies die laarzen die ze de zondag ervoor had meegenomen, toen Jan bij haar was geweest. Ik had nog gedacht dat ze gewoon vergeten was ze terug te geven.
– Kijk eens waar hij bij jou op loopt, – zei ze, en ze zette ze naast zich op de kruk. – Ik heb ze apart gehouden. Die laten we aan de rechter zien.
Ze waren stoffig, scheefgelopen, met roestkleurige zoutvlekken erop. Hij had er de hele winter op gelopen en de hele lente door plassen mee gesloft.
Ik liep de keuken uit, klom op een stoel en haalde de geruite weekendtas van de bovenkast.
– Wat ben jij aan het doen? – vroeg Mark vanuit de gang.
– Inpakken.
– Voor wie?
– Voor Jan.
Ik stopte T-shirts in de tas, een extra broek, zijn pyjama met motoren erop, keelpastilles, pantoffels in een zak. Mijn schoonmoeder kwam in de deuropening staan en nam het licht weg.
– Emma, doe nou niet zo dom.
– Neem hem mee, – zei ik zonder me om te draaien. – Voorgoed. Niet voor de meivakantie, niet voor een weekend. Helemaal.
Mark lachte, maar slechts met één kant van zijn gezicht.
– Hou op met dat toneel.
– Er is geen toneel. Laat je verzoek maar gewoon bij de rechtbank liggen. – Ik trok de rits van de tas dicht en ging rechtop staan. – Alleen ga jij in juni zelf naar die zitting. Jij neemt zelf je werkgeversverklaring mee. Jij laat zelf de kinderbescherming binnen in je huis. En ik kom daar ook. Dan vertel ik de rechter precies hoe het zit: dat de jongen bij jou verblijft en dat ik hem terug wil.
– Dus je geeft hem nou mee of niet?
– Ik geef hem aan jou mee. Maar ik onderteken niets. Zo’n papier, waarin een moeder haar kind aan de vader overdraagt, bestaat niet eens. Dat heb ik nagevraagd.
Hij zei niets.
– En nog één voorwaarde, Mark. Jij doet het zelf. Niet je moeder, niet Sanne, niet de buurvrouw. Jij maakt hem wakker. Jij brengt hem naar de opvang. Jij haalt hem om zes uur op. Jij laat hem gorgelen als hij keelpijn heeft. En jij koopt nieuwe schoenen voor hem. In de juiste maat.
– Waar heb jij het in hemelsnaam over?
– Ik kom hem niet halen. Als jij hem terug wilt brengen, dan breng je hem zelf.
Mijn schoonmoeder sloeg haar handen in de lucht.
– Noemt zich moeder. Geeft haar kind mee alsof het een koffer is. Ik zei het toch, Mark: er zit geen verstand in dat hoofd.
Ik draaide me naar haar toe.
– Anna, u wilde toch dat uw kleinzoon bij u zou opgroeien? Neem hem dan mee.
Toen zei Mark wat ik inmiddels al wist.
– Moeder heeft beloofd dat ze de papieren in juni regelt. Ik doe dit trouwens voor die jongen. Hij krijgt dan een eigen kamer.
– Dat weet ik, – zei ik. – Sanne heeft het me verteld. Over de notaris. En over Pasen.
Hij keek naar zijn moeder. Zijn moeder keek naar buiten. Daarna gebeurde alles waarmee ik dit verhaal ben begonnen: de tas in de hal, de buurvrouw met haar emmer op de overloop, en Jans rugzak, waarvan hij zelf de rits had dichtgedaan.
Die avond belde ik de jurist en vertelde hem alles. Hij onderbrak me niet. Pas toen ik klaar was, begon hij te praten, heel vlak en beheerst. Juist daardoor klonk het erger dan wanneer hij had geschreeuwd.
– Emma, u bent uw rechten niet kwijt. Dat moet u goed begrijpen. Een moeder kan haar kind niet voor altijd aan de vader “afstaan”; zo’n document bestaat niet. Als u morgen besluit hem op te halen, gaat u erheen en neemt u hem mee. Hij kan u niets maken.
– Dat weet ik.
– Het probleem zit ergens anders. In juni is de zitting. De rechter zal vragen waar het kind woont. De kinderbescherming komt langs en schrijft in het verslag waar hij feitelijk verblijft. Dat heet de bestaande woonsituatie, en daar kijken rechters vaak als eerste naar. U hebt hem met uw eigen handen de enige troef gegeven die hij nog niet had.
– Dat weet ik.
– Ik heb u dit niet geadviseerd. Noteert u dat goed: ik heb u dit niet aangeraden.
– Genoteerd.
Die nacht verschoonde ik Jans bed en ging er zelf op liggen, dwars over de matras, met mijn kleren nog aan. Het had geen zin meer om te berekenen of ik gelijk had gehad of niet. Het enige wat nog te tellen viel, waren de dagen.
De eerste drie avonden belde hij om acht uur. Op de vierde avond kwam er geen telefoontje.
Toen belde ik zelf. Mijn schoonmoeder nam op.
– Hij is bij mij. Mark heeft dienst.
Een week later klonk het alweer anders.
– Laat hem voorlopig maar even hier blijven. Mark moet eerst zijn rooster op orde krijgen, dan haalt hij hem op.
Dat rooster bleef tot eind juni “op orde gebracht” worden.
Ik belde iedere avond om acht uur. Jan vertelde dat er bij oma op het plein een rekstok stond en dat er een jongen was die Bas heette. Dat papa zondag was langsgekomen en chips had meegenomen. Ik luisterde, zei dat hij het goed deed, en hing op. Daarna waste ik in de keuken mijn enige kopje af.
En dit moet ik eerlijk zeggen, anders zou het verhaal niet kloppen. Ik had elke willekeurige dag naar hem toe kunnen gaan. Zijn vader had me niet kunnen tegenhouden, zijn grootmoeder evenmin. En als ze het toch hadden geprobeerd, was ik samen met de wijkagent teruggekomen. Er bestond geen enkel papier dat een moeder verbood haar eigen zoon mee naar huis te nemen.
Maar ik ging niet.
Aan het einde van mei was Jan degene die er voor het eerst zelf over begon.
