Ik hield het nog bijna een minuut zo vast, zonder duidelijke reden turend naar mijn eigen handschrift. Daarna liet ik het in de vuilnisemmer vallen en schoof aan de keukentafel. Voor het eerst in al die jaren wist ik niet wat er op woensdag op mij wachtte.
Op vijf augustus ging om zeven uur ’s morgens mijn telefoon.
‘Emma. Emma, hang alsjeblieft niet op.’
Lisa praatte gejaagd. Geen “o” vooraf, geen “luister nou even”.
‘Ze sturen me naar een training in Utrecht. Vanaf de twaalfde, twee weken lang. Als ik niet ga, lig ik eruit; bij ons op de afdeling zijn er al twee ontslagen. Daan zit tot september op zijn werk en kan niet zomaar weg. Sophie vertrekt diezelfde dag naar kamp, via school, alles is al betaald. Mam zit sinds de eerste in Delft bij haar nicht, ook tot september.’
Ze haalde hoorbaar adem.
‘Er is niemand voor Lucas. Neem hem twee weken bij jou. Ik vraag het je.’
Dat woord — vraag — had ze in ons hele leven nog nooit zo uitgesproken.
Ik stond bij het raam. Op de vensterbank lag de envelop met mijn reservering: een kuuroord bij Maastricht, aankomst op precies diezelfde dag. De arts had het al in het voorjaar aangeraden, meteen na mijn ontslag uit het ziekenhuis. In juli had ik geboekt, betaald met het geld dat anders elke maand rond de vijfentwintigste verdween, aangevuld met mijn vakantiegeld.
‘Ik vertrek die dag met de trein,’ zei ik. ‘Naar een kuuroord. Twaalf dagen.’
‘Dan verzet je het.’
‘Nee.’
‘Emma, het gaat om een kind. Om Lucas. Jij hebt hem gedragen vanaf het moment dat hij uit het ziekenhuis kwam.’
‘Dat klopt.’
‘En nu kan het je ineens niets meer schelen?’
‘Dat is niet waar,’ zei ik. ‘Maar ik neem hem niet.’
‘Je laat hem vallen!’
‘Ik kan hem niet laten vallen als ik hem nooit op me heb genomen.’
Ze schreeuwde nog zeker vijf minuten door. Dat ik wraakzuchtig was. Dat ik mijn hele leven boosheid had opgespaard en alleen op een kans had gewacht. Dat hun gezin door mij uit elkaar zou vallen. Ik verdedigde me niet. En precies toen merkte ik voor het eerst hoe eenvoudig het eigenlijk was: niets uitleggen.
Rond lunchtijd kwam er een bericht van Sophie: “Tante Emma, alsjeblieft. Hij is nog klein. Hij rekent op u.”
Ik bleef er een minuut of twintig naar kijken. Daarna typte ik: “Nee, Sophie.” Vervolgens stopte ik de telefoon in de zak van mijn kamerjas.
Tegen de avond stond er in de familiechat een bericht van Lisa. Haar zus had geweigerd haar eigen neefje in huis te nemen, het kind bleef alleen achter, zo hielpen wij elkaar dus in deze familie. Daarna begonnen de telefoontjes. Tante Karin zei dat ze dit nooit van mij had verwacht. Mijn peettante vond dat ik best mocht weigeren geld te geven, daar viel over te praten, maar een kind was iets heel anders. Vanuit Delft belde mijn moeder, met een stem die niet meer op de hare leek.
‘Waar ben jij in vredesnaam mee bezig?’ vroeg ze. ‘Straks komt ze naar mij. Met twee kinderen, van mijn pensioen. Heb je daar ook aan gedacht?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Mam, iedereen heeft het recht om voor zichzelf te zorgen. Lisa heeft dat recht, en in mei heeft ze het gebruikt. Jij hebt dat recht, jij zit in Delft. En ik heb het ook.’
‘Dat is niet hetzelfde.’
‘Het is precies hetzelfde.’
Ze verbrak de verbinding.
Op de tiende kwam Marieke naar boven. Ze bracht een pot augurken mee en ging op het krukje in de gang zitten.
‘Neem die jongen nou toch,’ zei ze nog vóór ze haar jas goed had uitgetrokken. ‘Die boeking van jou kunnen ze vast naar september schuiven, die ben je niet kwijt. Maar zo’n jochie onthoudt dit zijn hele leven.’
‘Ik doe het niet, Marieke.’
‘Hard van je.’
‘Misschien,’ zei ik. ‘Maar in mei bent u mij komen halen. Zij niet.’
Ze wuifde met haar hand, alsof ze het gesprek wegveegde, en vertrok. ’s Avonds stond ze toch weer voor de deur, met koolpasteitjes voor onderweg.
Op elf augustus kreeg ik een bericht van Daan: hij had zijn dienst afgezegd en bleef thuis bij zijn zoon. Daarmee verloor hij alles wat hij in augustus had kunnen verdienen, en bovendien had hij zich in de schulden gestoken.
Op de twaalfde liep ik om zeven uur ’s morgens het portiek uit met één tas over mijn schouder. Het karretje bleef in de berging staan, tussen de ski’s en de emmer. Marieke zwaaide naar me vanuit haar raam.
In de trein had ik een plek beneden. Ik dronk thee uit een glas en keek de hele reis tot Eindhoven naar de vreemde tuinen die achter het raam voorbijschoven.
Er gingen twee maanden voorbij.
Lisa heeft sinds augustus niet meer gebeld. Haar bericht staat nog altijd in de familiechat; ik open die chat niet. Mijn moeder is teruggekomen en belt eens in de twee weken, om te vragen of ik nog iets nodig heb, op dezelfde toon waarmee je een buurvrouw in het trappenhuis aanspreekt. Sophie schrijft helemaal niet meer.
Vorige week zei mijn moeder terloops dat Lucas haar had gevraagd waarom tante Emma niet meer op woensdag kwam. Wat ze daarop heeft geantwoord, heb ik niet gevraagd.
Op woensdag om zes uur lig ik in het zwembad. Zwemmen was me al aangeraden zodra mijn lichaam het toeliet, maar mijn woensdagen waren altijd bezet geweest.
Gisteren werd ik in hetzelfde ziekenhuis opnieuw ingeschreven voor de dagbehandeling, en Sanne vroeg weer wie ze als contactpersoon moest noteren. Ik gaf de naam van Marieke van de zevende verdieping op. Zij had daar in mei al mee ingestemd; ik had toen alleen nog niet geweten dat je in dat vakje ook een buurvrouw mocht zetten.
Heb ik nu juist die ene maand uitgekozen waarin alles bij hen tegelijk misliep?
Misschien.
Maar op woensdag om zes uur ben ik weer in het water. Vijfenveertig minuten lang besta ik voor niemand.
