‘Jij hebt dat nooit gedaan. Dan zal ik het zelf moeten doen.’
‘Een gezin draait om toegeven,’ wierp Maarten tegen.
‘Toegeven betekent dat allebei iets inleveren,’ zei Sophie, terwijl ze iets naar voren boog. ‘Maar bij ons kwam het steeds op mij neer. Mijn tijd. Mijn rust. Mijn huis.’
‘Je maakt het groter dan het is.’
‘Nee, Maarten. Ik ben juist eindelijk gestopt met het kleiner maken.’
Hij kwam overeind en liep onrustig door de kamer, alsof hij ergens een uitweg zocht die er niet was.
‘Ik kan mijn moeder niet zomaar laten vallen.’
‘Dat vraag ik ook niet van je.’
‘Maar jij wilt haar niet accepteren.’
‘Niet onder mijn dak.’
Hij bleef staan en keek haar aan. ‘Dus we zitten vast?’
Sophie zweeg even. Ze keek hem lang aan, zonder boosheid, zonder haast. Daarna knikte ze.
‘Ja. En dat moeten we onder ogen zien.’
Zijn stem werd zachter. ‘Heb je dit dan al besloten?’
‘Ja.’
‘Wanneer?’
‘Ergens tussen jouw berichtje dat we “na de feestdagen wel zouden praten” en nieuwjaarsdag,’ antwoordde ze eerlijk. ‘Toen ik hier alleen zat, terwijl de buren buiten “gelukkig nieuwjaar” riepen, en ik merkte dat ik kalm was. Voor het eerst in heel lange tijd.’
‘Kalm… zonder mij?’
‘Ja.’
Maarten zakte weer op de bank. Zijn schouders hingen omlaag, alsof er iets in hem was ingestort.
‘En nu?’
‘Nu gaan we scheiden,’ zei Sophie vlak. ‘Geen drama. Geen strijd om spullen. Gewoon een einde.’
‘En als ik alsnog probeer alles anders te doen?’
Ze schudde langzaam haar hoofd. ‘Dat heb je al geprobeerd. Alleen niet voor ons. Je probeerde het zo te regelen dat iedereen het makkelijk had. Iedereen, behalve ik.’
‘Ik hou van je.’
‘Dat weet ik,’ zei ze. ‘Maar liefde is niet genoeg als er geen respect in zit.’
Daarna viel er een stilte die zwaarder woog dan elk verwijt. Buiten schraapte iemand sneeuw van de stoep; het harde geluid van de schep kraste door de kamer.
‘Ik vertrek,’ zei Maarten uiteindelijk. ‘Vandaag nog.’
‘Goed.’
‘Vraag je niet eens waarheen?’
‘Dat is aan jou,’ antwoordde Sophie. ‘Zoals zoveel dingen aan jou waren.’
Hij knikte, stond op en liep naar de slaapkamer om zijn spullen bij elkaar te zoeken.
Drie kwartier later stond hij in de gang met een tas in zijn hand.
‘Als er ooit…’ begon hij.
‘Doe dat niet,’ onderbrak Sophie hem zacht, maar vastberaden. ‘Laat geen “als er ooit” achter. Zo kan de deur tenminste echt dicht.’
Hij keek haar nog één keer aan.
‘Je bent hard geworden.’
‘Nee,’ zei ze. ‘Ik ben eerlijk geworden.’
Toen viel de deur in het slot.
Een maand later was de scheiding uitgesproken. Snel, zakelijk, zonder tranen in de rechtszaal. De rechter stelde vermoeid de gebruikelijke vragen en kreeg de gebruikelijke antwoorden.
Buiten haalde Sophie diep adem. De koude lucht prikte in haar longen. Januari was grauw, maar helder.
Ik heb geen gezin kapotgemaakt, dacht ze. Ik ben alleen opgehouden makkelijk te zijn.
Haar telefoon trilde. Een vriendin belde.
‘En?’
‘Het is klaar,’ zei Sophie. ‘Ik ben vrij.’
‘Dan moet je nu gaan leven.’
Sophie stopte haar telefoon weg en liep verder door de besneeuwde straat. Voor het eerst in lange tijd dacht ze niet aan wat ze iemand verschuldigd was, maar aan wat ze zelf verlangde.
En dat voelde als het beste begin van een jaar dat ze zich kon wensen.
