In mijn kantoor begon de telefoon te rinkelen. Jan. Ik drukte hem weg. Meteen belde hij opnieuw. Daarna nog een keer. Uiteindelijk zette ik mijn toestel helemaal uit.
Toen ik die avond thuiskwam, zat hij in de keuken. Alleen. Geen vrienden om hem heen. Op tafel stond een fles waar al uit gedronken was.
– Ben je me aan het bespotten of zo? zei hij zodra ik binnenkwam.
Ik trok mijn jasje uit en hing het rustig aan de kapstok.
– Hoe bedoel je?
– Waarom heb je me niets verteld?
– Heb jij er ooit naar gevraagd?
Daar had hij geen antwoord op.
– Jan, zei ik zonder mijn stem te verheffen. – Vier vrijdagen lang heb jij, waar iedereen bij zat, gezegd dat mijn werk niet meer voorstelde dan een zwabber. Dat mijn plek daar was. Dat mijn verstand hooguit goed genoeg was voor een pan soep. Anna zat te giechelen, Pieter maakte grappen over toiletten en jij lachte nog het hardst van allemaal. Je hebt nooit gevraagd wie ik eigenlijk ben, waar ik werk, hoe het met me gaat. Jij vond het alleen maar grappig.
– Ik maakte toch maar een grapje!
– Vier keer achter elkaar. In gezelschap. Over je eigen vrouw. Met wie je zesentwintig jaar getrouwd bent.
Hij draaide zijn hoofd weg.
– Willem zei in de auto tegen me: “Jan, ik wist helemaal niet dat jouw vrouw manager is bij Apeldoorn Groep.” Weet je wat ik toen heb gezegd? “Ik wist het zelf ook niet.” En toen keek hij naar me. Alsof ik de grootste dwaas van Nederland was.
– Dat ben je ook, zei ik kalm. – Ben je daar vandaag pas achter gekomen?
Ik liep naar de slaapkamer, haalde een kussen en een dekbed uit de kast en kwam terug naar de woonkamer. Daar gooide ik alles op de bank.
– Dit is voor jou. Ik slaap voortaan in de slaapkamer.
– Emma, wat doe je nou?
– En nog iets. Vanaf maandag hebben we aparte financiën. Ik leg een lijst op de koelkast: wat jij betaalt en wat ik betaal. Vaste lasten delen we door twee. Boodschappen ook. En als jij gasten wilt ontvangen, doe je dat van je eigen geld.
– Emma, we zijn zesentwintig jaar samen.
– Precies. Zesentwintig jaar. En jij had het over een zwabber.
Ik deed de slaapkamerdeur achter me dicht. Voor het eerst in een halfjaar lag ik om tien uur ’s avonds in bed, zoals een normaal mens.
Er ging een maand voorbij.
Jan werd stil. Hij bewoog zich door het huis alsof hij bang was iets breekbaars om te stoten. Op vrijdag kwamen zijn mannen niet meer langs. Misschien schaamde hij zich. Misschien wilden ze niet meer komen. Ik hoorde dat Pieter tegen Anna had gezegd: “Nou, Jan heeft zich behoorlijk voor gek gezet.” Anna vertelde het weer aan de buurvrouw. En de buurvrouw vertelde het aan mij.
In de slaapkamer slaap ik nog steeds alleen. Op de koelkast hangen inmiddels twee briefjes: het zijne en het mijne. Hij betaalt gas en internet, ik betaal stroom en water. Eten kopen we ieder voor onszelf. Soms staan we tegelijk bij het fornuis, maar dan zeggen we niets.
Onze zoon kwam op zaterdag langs en begreep de situatie in één oogopslag. Hij zei alleen: “Mam, jij hebt gelijk.” Jan hoorde het vanuit de keuken, maar zweeg.
Op mijn werk liep alles ondertussen door. Maarten zette mijn proeftijd om in een vaste aanstelling en gaf me er een bonus bij. Ik denk er nu over om een kleine eenkamerwoning te kopen met een hypotheek. Gewoon voor mezelf. Voor het geval dat. Zodat ik altijd ergens heen kan.
Gisteravond kwam Jan naar me toe.
– Emma, is het nu niet genoeg geweest? Ik heb toch toegegeven dat ik fout zat.
Ik keek hem aan en zei niets. Daarna liep ik naar de slaapkamer.
Op de fabriek laten ze hem blijkbaar ook niet met rust. Willem heeft in de rookruimte, waar iedereen bij stond, verteld hoe “Jans vrouw hem zeven procent door de strot heeft geduwd en hem ook nog 41.000 aan boetes heeft kwijtgescholden, alsof ze een hondje een suikerklontje toegooide.” De mannen lachen erom. Jan zwijgt. Hij komt tegenwoordig later thuis dan vroeger. Waarschijnlijk wil hij me in de keuken liever niet tegenkomen.
Anna belde woensdag. Zogenaamd voor iets praktisch: ze wilde mijn recept voor vleesgelei. Ik dicteerde het recept en hing op. Vijf minuten later belde ze opnieuw.
– Emma, je moet niet boos op me zijn. Ik bedoelde het toen niet slecht. Ik deed gewoon met Jan mee, omdat hij dat leuk vond.
Ik zei:
– Anna, vleesgelei moet zes uur trekken. Die tijd heb ik nu niet.
Toen verbrak ik de verbinding.
Onze zoon nodigde me die zaterdag uit. Zonder Jan.
– Mam, kom alleen, zei hij. – We hebben jou al veel te lang niet gezien.
En ik ging alleen. Voor het eerst sinds dit allemaal begonnen was.
Maandag riep Maarten me naar het hoofdkantoor. Hij vertelde dat hij de filialen verder wilde uitbreiden en dat ik mogelijk nog een extra pand onder mijn verantwoordelijkheid zou krijgen.
– Dat neem ik erbij, zei ik.
Hij grijnsde.
– En je man vindt dat goed?
– Mijn man vraag ik daar niet naar, antwoordde ik.
Weet je wat het vreemdste is? Ik heb geen medelijden met hem. Helemaal niet. Terwijl ik jarenlang altijd medelijden had. Dan was hij moe, dan had hij last van zijn bloeddruk, dan had hij ruzie gehad met zijn leidinggevende. Altijd vond ik wel een reden om hem te sparen. Maar nu voel ik niets. Alleen leegte.
Misschien ben ik echt te ver gegaan. Misschien had ik het menselijker kunnen aanpakken. Ik had hem donderdag kunnen bellen en zeggen: Jan, morgen kom je naar het filiaal en ik zal daar zijn, dus schrik niet. Ik had na die eerste vrijdag ’s avonds met hem kunnen praten, in plaats van een maand lang zwijgend te wachten tot alles vanzelf zou ontploffen.
Maar misschien kon ik dat ook niet meer. Omdat ik mijn hele leven al geprobeerd heb om op een normale manier te praten. En wat kreeg ik ervoor terug? Een zwabber. En gelach.
Meiden, wat vinden jullie? Ben ik te hard geweest met dat contract en die gescheiden financiën? Of was het terecht dat ik hem alles in één keer liet slikken, stilzwijgend, waar zijn eigen baas bij stond?
