“Nee, dat hoeft niet. Het is daar toch al krap. Blijf jij maar beter thuis” zei Jan, waarop Julia besloot hem onaangekondigd te verrassen

Verhalen
Zijn afstand voelt verraadachtig en onbegrijpelijk.

Een onrustig voorgevoel dwong haar verder te kijken.

Er stonden geen gesprekken met zijn ouders in de lijst. Geen uitgaande oproepen, geen gemiste of opgenomen gesprekken. In de afgelopen twee weken was er niet één keer contact geweest met Maria of Pieter.

‘Hoe kan dat nou?’ fluisterde Julia. ‘Als Jan daar logeert, waarom belt hij hen dan helemaal niet?’

Normaal gesproken namen zijn ouders juist wél contact met haar op wanneer Jan een paar dagen weg was. Al was het maar om te vragen of alles thuis goed ging, of zij nog iets aan hun zoon moest meegeven. Deze keer bleef het stil. Volkomen stil.

De vierde keer vertrok hij de vrijdag daarop.

‘Weer naar je ouders?’ vroeg Julia, terwijl ze hem vanuit de deuropening aankeek.

‘Ja. Mam heeft koorts. Ik ben bang dat ze flink verkouden is.’

‘Jan, zal ik anders met je meegaan? Dan kan ik ook helpen.’

Hij reageerde scherper dan nodig was.

‘Waarom zou jij jezelf daarmee opzadelen? Je hebt al genoeg aan je eigen werk.’

‘Het is geen last,’ zei Julia zacht. ‘Het zijn jouw ouders. Dus ergens ook de mijne.’

‘Julia, echt, het hoeft niet. Daar is het toch al krap genoeg. Straks steek je jezelf ook nog aan.’

Zijn woorden klonken aannemelijk, maar hij keek haar geen moment recht aan. Ondertussen gooide hij haastig wat spullen in zijn tas, alsof hij ieder ogenblik zijn aansluiting kon missen.

‘Met welke trein ga je?’ vroeg ze.

‘Gewoon die van vanavond. Om zeven uur.’

‘Zal ik je naar het station brengen?’

‘Nee, niet nodig. Ik red me wel.’

Hij gaf haar een vluchtige kus en was daarna bijna meteen verdwenen. Julia bleef achter in het appartement, omringd door vragen die ze niet durfde uit te spreken en toevalligheden die steeds minder toevallig leken.

De zaterdagochtend bracht ze piekerend door. Haar gedachten liepen door elkaar als draden in een knoop. Aan de ene kant vond ze het afschuwelijk om haar man zonder bewijs van leugens te verdenken. Aan de andere kant had zich in de voorbije maand te veel opgestapeld om nog eenvoudig weg te wuiven.

‘Ben ik nu zo’n achterdochtige vrouw geworden?’ verweet ze zichzelf. ‘Misschien zijn zijn ouders echt ziek en maak ik van niets een drama.’

Rond het middaguur hakte ze de knoop door. Als haar schoonouders zich inderdaad beroerd voelden, zouden ze het vast waarderen als hun schoondochter langskwam. Ze zou iets bakken, fruit kopen, een klein pakketje samenstellen en hen bezoeken.

‘Ik verras ze gewoon,’ besloot ze. ‘En Jan zal dan ook wel even opkijken.’

In de keuken ontstond een warme, huiselijke chaos. Julia maakte deeg voor een cake volgens het vaste recept van haar moeder, het recept dat altijd lukte. Terwijl de cake in de oven stond, liep ze naar de winkel voor fruit, sap en wat kleine dingen die je meeneemt naar mensen die ziek zijn.

Tegen drie uur was alles klaar. De geurige cake stond af te koelen op tafel, bij de voordeur wachtte een tas met sinaasappels en bananen. Julia trok een nette jurk aan, bracht een beetje make-up aan en vertrok naar het station.

In de trein glimlachte ze zelfs even. Ze stelde zich voor hoe Jan zou reageren wanneer zij ineens voor de deur stond. Hij zou openmaken, haar zien staan met tassen in haar handen, verbaasd knipperen en dan toch glimlachen.

‘Julia? Waar kom jij ineens vandaan?’ zou hij vragen.

‘Ik wilde even kijken hoe het met jullie gaat,’ zou zij antwoorden.

De reis naar het huis van zijn ouders duurde anderhalf uur. Maria en Pieter woonden in een kleine plaats niet ver van Eindhoven, in een huis met twee verdiepingen en een tuin. Jan was daar opgegroeid; hij kende er iedere tree, iedere deur, iedere hoek.

Julia liep naar het vertrouwde hek en drukte op de bel. Na ongeveer een minuut ging de deur open. Haar schoonmoeder verscheen op de drempel.

‘Julia?’ zei Maria verbaasd. ‘Wat doe jij hier?’

Ze zag er uitstekend uit. Haar wangen hadden kleur, haar ogen stonden helder, en van ziekte was geen spoor te bekennen. Ze droeg een comfortabele sportoutfit voor in huis en haar haar was keurig in een staart gebonden.

‘Goedemiddag, Maria,’ begon Julia, plotseling onzeker. ‘Ik kom even langs. Jan zei dat jullie ziek waren.’

‘Ziek?’ Maria lachte oprecht verbaasd. ‘Waar heb je het over? Wij mankeren helemaal niets. Wie heeft je dat verteld?’

Julia voelde het bloed naar haar gezicht stijgen. Haar hart begon sneller te slaan, en de tassen in haar handen leken ineens ondraaglijk zwaar.

Bij Wieke Thuis