Ze boog zich naar Jan toe en siste zacht, maar dringend:
‘Doe iets. Alsjeblieft.’
Jan schoof zijn stoel naar achteren en kwam overeind.
‘Ik ga even naar buiten,’ zei hij, alsof hij een sigaret wilde roken.
Hij vond Sophie niet buiten, maar in de badkamer. Ze stond voorovergebogen bij de wastafel, haar vingers wit om de rand geklemd. Ze huilde zonder geluid. De mascara had zwarte strepen over haar wangen getrokken, haar lippenstift zat scheef uitgesmeerd. Op dat moment leek ze inderdaad minder mooi — precies zoals Mark haar wilde laten voelen.
‘Sophie,’ vroeg Jan voorzichtig, ‘gaat het een beetje?’
Ze schrok, alsof ze betrapt was, en veegde haastig met haar handen langs haar ogen.
‘Ja hoor. Ik was me zo even en dan kom ik terug.’
‘Waarom laat je dit allemaal gebeuren?’
Ze keek hem aan met een vermoeide, lege blik.
‘Waar moet ik dan heen? Ik heb niets. Het huis is van hem, de auto is van hem. Ik sta voor de klas en verdien niet veel. Mijn ouders wonen in een dorp en kunnen zelf amper rondkomen. Als ik naar hen terugga, schaamt de hele familie zich dood.’
‘Dat is geen schande.’
‘Voor hen wel. Ze hebben me uitgehuwelijkt aan een man uit de stad, iemand met geld, iemand die zogenaamd goed voor me zou zorgen. Mijn moeder vertelde iedereen hoe fantastisch mijn man was. En wat moet ik dan zeggen? Dat hij me een koe noemt?’
‘Was hij altijd zo?’
Sophie schudde langzaam haar hoofd.
‘Het eerste jaar was alsof ik in een sprookje leefde. Bloemen, cadeaus, lieve woorden. Hij behandelde me alsof ik iets kostbaars was. En daarna begon het. Eerst kookte ik volgens hem verkeerd. Daarna kleedde ik me als een boerin. Vervolgens was ik dom. En vanaf daar werd het alleen maar erger. Nu maakt hij me zelfs belachelijk waar anderen bij zijn. En thuis…’
Ze brak haar zin af.
‘Wat gebeurt er thuis?’ vroeg Jan. ‘Slaat hij je?’
‘Nee,’ fluisterde ze. ‘Erger. Hij zwijgt. Soms praat hij een week lang niet tegen me, alsof ik lucht ben. En dan ontploft hij ineens om niets. Een bord dat niet goed is afgewassen. Slippers die zogenaamd verkeerd staan. Hij zegt dat ik waardeloos ben, dat niemand mij nodig heeft, dat hij me alleen uit medelijden bij zich houdt.’
‘Sophie, dat is waanzin. Je bent knap, slim, sterk…’
‘Ik weet niet meer wat ik ben,’ zei ze dof. ‘Als ik in de spiegel kijk, zie ik alleen nog wat hij zegt. Een koe. Een idioot. Een lelijk mens. Misschien heeft hij wel gelijk.’
Uit de woonkamer klonk op dat moment Marks luide lach.
‘En in bed is ze al helemaal een blok hout!’ riep hij. ‘Ze ligt erbij en staart naar het plafond alsof ze schaapjes telt!’
Sophie werd lijkbleek. Jan voelde zijn handen tot vuisten ballen.
‘Genoeg,’ zei hij strak. ‘Dit stopt nu. Pak je spullen, ik breng je weg.’
‘Waarheen?’
‘Waar jij wilt. Naar je ouders, naar een vriendin, naar een hotel. Zeg het maar.’
‘Hij laat me niet gaan.’
‘Dat bepaalt hij niet.’
Samen liepen ze terug naar de woonkamer. Mark had inmiddels duidelijk te veel gedronken en was alweer bezig met een nieuw zogenaamd grappig verhaal over zijn vrouw.
‘Moet je horen,’ zei hij tegen de anderen. ‘Gisteren zocht ze een uur naar haar bril. Zat dat ding gewoon boven op haar hoofd. Hoe dom kun je zijn?’
‘Wij gaan weg,’ zei Jan.
Mark trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Hoe bedoel je, weg?’
‘Ik breng Sophie ergens heen.’
‘Zij gaat nergens naartoe.’ Marks stem werd hard. ‘Sophie, zitten.’
Alsof haar lichaam eerder reageerde dan haar verstand, deed ze automatisch een stap richting de tafel. Jan stak zijn hand uit en pakte de hare vast.
