‘Jij gaat mij niet vertellen wat ik moet doen.’
‘Dat ga ik juist wel doen,’ antwoordde ik. ‘Omdat jij me zojuist van een misdrijf hebt beschuldigd.’
Hij lachte kort, schamper, maar de zelfverzekerdheid die net nog in zijn stem had gezeten, was al aan het afbrokkelen.
‘Denk je werkelijk dat de politie jóú gelooft? Mijn moeder is een gepensioneerde vrouw. Jij bent arts. Jij kunt aan medicijnen komen. Morgen op je werk zullen ze…’
‘Ga door,’ zei ik rustig. ‘Spreek vooral duidelijk. De opname loopt toch.’
Jan maakte een beweging naar het plankje, maar hield halverwege in.
‘Het is mijn telefoon.’
‘Des te beter,’ zei ik. ‘Dan laat jouw eigen opname precies zien wie als eerste met die beschuldiging kwam en wat er hier aan tafel is gebeurd.’
Anna bewoog zich op het kleed.
‘Jantje, zet dat ding uit,’ mompelde ze. ‘Van die camera word ik nog beroerder.’
‘Wordt u beroerd van de camera,’ vroeg ik, ‘of van de drank?’
Mijn schoonmoeder keek me aan. De meelijwekkende blik die ze eerder had opgezet, was verdwenen. Jarenlang had ze ziek kunnen worden op bestelling: vlak voor mijn congressen, precies voor vakanties, of op ochtenden waarop Jan belangrijke afspraken had. Dan belde ze om zes uur met de mededeling dat “alles drukte”, om een uur later doodgemoedereerd boodschappen te gaan doen. Ik had het altijd geschoven op leeftijd, karakter, een behoefte aan aandacht. Nu begreep ik dat haar klachten voor Jan allang waren veranderd in een middel om druk uit te oefenen.
‘Emma, laten we dit toneelstuk stoppen,’ zei hij zachter. ‘Zeg gewoon dat je de kruiden hebt verwisseld. Mijn moeder zal geen aangifte doen.’
‘Als jullie blijven volhouden dat ik haar heb proberen te vergiftigen, doe ík aangifte,’ zei ik. ‘En ik laat ook vastleggen dat er druk op mij wordt gezet vanwege de scheiding en mijn aandeel in de kliniek.’
‘Je bewijst helemaal niets.’
‘Ik hoef hier in de hal niet alles te bewijzen. Ik hoef alleen maar te zorgen dat alles correct wordt vastgelegd.’
In de gang klonk het geluid van de lift. Anna kwam plotseling overeind, maar ving mijn blik op en liet zich toen weer langzaam terugzakken op het kleed.
‘Laat haar liggen,’ zei Jan haastig. ‘Ze is ziek.’
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik. ‘Daarom wordt ze nu onderzocht.’
De ambulancemedewerkers kwamen als eersten binnen. Meteen achter hen volgden twee politieagenten. De verpleegkundige nam in één oogopslag de situatie op: het kopje op tafel, het zakje met kruiden ernaast, de vrouw op het kleed en ik bij het aanrecht.
‘Wie heeft gebeld?’
‘Ik,’ zei ik. ‘Emma, vijftig jaar, cardioloog, hoogste specialisatiegraad. Dit is mijn schoonmoeder, Anna, vierenzeventig jaar. Mijn man, Jan, tweeënvijftig, heeft verklaard dat ik gif in haar drankje heb gedaan.’
‘Dat heb ik niet zo gezegd!’ riep Jan.
Ik draaide mijn hoofd naar hem.
‘Zal ik het letterlijk herhalen?’
Hij kneep zijn lippen op elkaar en keek weg.
Een van de agenten haalde een notitieboek tevoorschijn en vroeg iedereen om om de beurt te spreken. Hij wilde weten wie van de drank had gedronken, wie de kruiden had meegenomen en wie de verpakking had geopend. Anna keek eerst naar Jan, alsof ze toestemming zocht, maar antwoordde daarna zacht dat zij de kruiden zelf had meegebracht, dat zij zelf het zakje had opengemaakt en dat ik alleen op haar verzoek heet water over de kruiden had gegoten.
‘Wat voelde u precies na die slok?’ vroeg de ambulanceverpleegkundige.
‘Ik vond de smaak vreemd,’ zei Anna.
‘Had u deze kruidenmix eerder gebruikt?’
‘Ja.’
‘En ooit een allergische reactie gehad?’
‘Nee.’
Hij controleerde haar waarden, stelde nog een paar gerichte vragen en vroeg haar daarna op de bank te gaan zitten. Anna kwam zonder hulp overeind en nam plaats. Pas toen leek ze zich te herinneren dat ze zwak hoorde te zijn; ze liet haar schouders zakken en zuchtte zwaar.
‘Haar toestand is stabiel,’ zei de verpleegkundige. ‘Op basis van wat ik nu zie, is er geen directe noodzaak tot spoedopname. Aanvullend onderzoek kunt u natuurlijk laten doen, maar op dit moment zie ik geen tekenen van een acute reactie.’
‘Hoezo geen tekenen?’ Jan draaide zich fel naar hem toe. ‘Ze is vergiftigd!’
De agent keek hem kalm aan.
‘Wie heeft dat vastgesteld?’
‘Zij zei het!’
‘Voor zover ik net hoorde, zei mevrouw dat de smaak haar vreemd voorkwam.’
Jan zweeg. Ik wees naar de telefoon op het plankje.
‘De opname stond op de tafel gericht. Ik verzoek u te noteren dat die opname bestaat en dat het bestand niet verwijderd mag worden voordat het is beoordeeld.’
‘Het is míjn telefoon!’ barstte Jan opnieuw uit.
‘Zonder grond nemen wij hem op dit moment niet mee,’ zei de agent. ‘Maar we vermelden in de verklaring dat er een opname is. Bent u bereid die vrijwillig beschikbaar te stellen?’
Jan keek naar zijn moeder. Anna begon aan de mouw van haar vest te plukken.
‘Na overleg met een advocaat,’ siste hij.
‘Dat is uw recht,’ zei de agent. Daarna wendde hij zich tot mij. ‘Wilt u uw verklaring afleggen?’
Ik knikte en vertelde alles in volgorde. Anna had mij gevraagd haar kruiden te zetten. Ze had één slok genomen. Daarna was ze op het kleed gaan liggen en had ze mij beschuldigd. Jan had die beschuldiging ondersteund en met aangifte gedreigd. Tussen ons speelde bovendien al een conflict over de scheiding en de verdeling van bezit, waaronder mijn aandeel in de bv Ritme.
‘Wat voor conflict?’ viel Jan me in de rede.
‘Het conflict waarover jij mij gisteren nog een bericht stuurde,’ zei ik. ‘“Of je draagt je aandeel netjes over, of ik zorg ervoor dat patiënten zich van je afkeren.”’
Hij zoog hoorbaar lucht naar binnen. De agent keek meteen op.
‘Is dat bericht bewaard gebleven?’
‘Ja.’
Ik opende de chat, liet het scherm zien, maakte een schermafbeelding en stuurde die waar iedereen bij stond door naar mijn werkmail en naar mijn advocaat. Jan begon onmiddellijk over de context.
