‘Waarom moet dit circus ineens?’
‘Als het toch zo’n gewone bepaling is, kun je hem zonder moeite voorlezen.’
Hij bleef me een hele tijd aankijken.
Toen zei hij, zachter dan daarvoor:
‘Je zet jezelf nu echt voor schut.’
‘Misschien wel. Lees hem toch maar.’
Hij pakte de papieren zo bruusk uit mijn hand dat het bijna leek alsof hij ze eruit trok.
‘“In geval van beëindiging van het huwelijk…”’
Daar stokte hij.
‘Ga door.’
‘Emma.’
‘Verder lezen.’
Zijn blik schoot naar zijn vader.
Dat was de tweede waarschuwing.
En deze keer zag ook Hendrik De Jong er niet langer ontspannen uit.
Daan haalde adem en las verder.
‘“In geval van beëindiging van het huwelijk verplicht de echtgenote zich afstand te doen van alle aanspraken op verrekening of compensatie die voortvloeien uit directe dan wel indirecte bijdragen aan de vermogensopbouw van de echtgenoot.”’
Ik zei niets.
Hij sloeg een bladzijde om.
‘“Daaronder vallen in het bijzonder werkzaamheden die kosteloos of tegen een vergoeding beneden de marktwaarde zijn verricht ten behoeve van ondernemingen, vennootschappen of projecten waarin de echtgenoot of diens familieleden een belang hebben.”’
Mijn vingers werden ijskoud.
Want dat ging niet over een theoretische situatie.
Dat ging over mij.
Drie jaar eerder had Daan mij gevraagd of ik wilde meedenken bij een grote verbouwing binnen het familiebedrijf.
Ze wilden in Enschede een oude productiehal renoveren en daarnaast een nieuwe kantoorvleugel laten bouwen.
De projectleider die oorspronkelijk was ingehuurd, was plotseling weggevallen.
Ik had mensen uit mijn netwerk benaderd, tekeningen doorgenomen, offertes nagekeken en maandenlang na mijn werk nog telefoontjes gepleegd.
Niet officieel.
Niet via mijn eigen bedrijf.
Voor Daan.
Hij had toen lachend gezegd:
‘Hiermee besparen we met gemak een ton.’
En ik had geantwoord:
‘Dan ben je me minstens een heel goed etentje schuldig.’
We hadden er allebei om gelachen.
Later vroeg hij of ik ook bij een tweede project wilde helpen.
Daarna kwam er nog een derde.
Ik had nooit een factuur gestuurd.
Niet omdat ik dom was.
Maar omdat ik dacht dat wij samen iets aan het opbouwen waren.
Ik keek Daan recht aan.
‘Dit is geen algemene huwelijkse voorwaarden.’
‘Jawel.’
‘Nee. Dit is op maat geschreven.’
Hij zweeg.
Toen draaide ik me naar Hendrik.
‘Wie heeft geëist dat deze passage erin kwam?’
Zijn vader gaf geen antwoord.
Anna kwam overeind.
‘Maak er nu alsjeblieft geen drama van.’
Ik keek haar aan.
‘U wist hiervan.’
‘Natuurlijk wisten we hiervan. Het gaat tenslotte ook om familievermogen.’
‘Mijn werk is geen familievermogen.’
Daan verhief zijn stem.
‘Niemand heeft je ooit gedwongen om ons te helpen.’
‘Heb ik dat gezegd?’
‘Nee, maar je doet nu alsof wij misbruik van je hebben gemaakt.’
Ik legde de papieren op tafel neer.
‘Is dat dan niet zo?’
‘Emma!’
‘Leg me dan uit waarom juist mijn onbetaalde werk expliciet in dat contract staat.’
Er kwam geen antwoord.
Ik pakte mijn telefoon.
‘Wie ga je bellen?’
‘Mijn advocaat.’
Daan lachte kort, ongelovig bijna.
‘Nu?’
‘Ja. Nu.’
Mijn studievriendin Julia werkte in Amsterdam als gespecialiseerd advocaat familierecht.
Pas bij mijn tweede poging nam ze op.
‘Emma? Zou jij op dit moment niet ergens moeten trouwen?’
‘Precies daarom bel ik je.’
Ik maakte een foto van de betreffende pagina en stuurde die naar haar door.
Twee minuten later belde ze terug.
Het eerste wat ze zei was:
‘Teken dit onder geen beding.’
Daan stond vlak voor me.
Ik zette de telefoon op luidspreker.
Julia legde kalm uit dat zo’n overeenkomst niet per se automatisch ongeldig hoefde te zijn, maar dat verschillende bepalingen buitengewoon eenzijdig waren opgesteld.
Vooral de passage over het werk dat ik al had verricht, vond ze opvallend.
‘Het leest,’ zei ze, ‘alsof iemand wil voorkomen dat jij later nog aanspraken kunt maken op grond van heel concrete diensten die je voor hen hebt geleverd.’
Daan schudde meteen zijn hoofd.
‘Dat is onzin.’
Julia had hem gehoord.
‘Wie is daar aan de lijn?’
‘Daan.’
‘Daan, door wie is dit concept opgesteld?’
Hij noemde de naam van een kantoor in Rotterdam.
Aan de andere kant bleef het een moment stil.
‘En wie heeft dat kantoor opdracht gegeven?’
Weer die aarzeling.
‘Mijn vader.’
Ik deed mijn ogen dicht.
Julia zei:
‘Emma, vandaag teken je helemaal niets. Niet onder tijdsdruk, niet in een trouwjurk en al helemaal niet zonder dat je zelf juridisch advies hebt gehad.’
Ik bedankte haar en verbrak de verbinding.
Daan liep naar het raam.
‘Geweldig. Nu denkt je vriendin dat mijn familie uit oplichters bestaat.’
‘Heeft ze dat gezegd?’
‘Nee, maar—’
‘Draai haar woorden dan niet om.’
