‘Dag, lieverd. Ik wilde alleen even vragen of jullie morgen allebei op kantoor zijn.’
Ik verstijfde.
Bram keek mijn kant op.
‘Ik wel,’ zei hij. ‘Sanne ook… denk ik.’
Ik schudde meteen mijn hoofd.
‘Ja,’ verbeterde hij zich na een korte aarzeling. ‘Ze moet werken.’
‘Mooi. Ik vroeg het alleen omdat ik morgenmiddag toch in de buurt ben.’
‘Waarom?’
Aan de andere kant bleef het een ogenblik stil.
‘Niets bijzonders. Ik ga naar de markt.’
Die markt lag helemaal niet op de route van haar huis naar ons appartement.
De volgende ochtend deed ik alsof er niets aan de hand was. Ik kleedde me aan zoals altijd, trok mijn jas aan, gaf Bram een kus en liep samen met hem de deur uit.
Bij de hoek namen we afscheid.
Hij stapte op de tram.
Ik wachtte nog geen tien minuten en keerde daarna terug naar huis.
In de werkkamer liet ik de luxaflex zakken. Mijn telefoon zette ik volledig op stil. De deur naar de woonkamer trok ik half dicht.
Tot elf uur gebeurde er helemaal niets.
Rond half twaalf begon ik mezelf al wijs te maken dat ik misschien spoken zag en de hele situatie groter maakte dan ze was.
Maar om 11.43 uur hoorde ik een sleutel in het slot.
Er werd niet aangebeld.
Er werd niet geklopt.
De voordeur ging gewoon open.
Mijn hart bonkte zo hard dat ik bang was dat ze het in de gang kon horen.
Annelies kwam binnen.
Alleen.
Ze droeg een lichte stoffen jas en een bordeauxrode sjaal. In de hal zette ze haar tas neer. Het eerste wat ze deed, was haar schoenen uittrekken.
Alsof ze thuiskwam.
Daarna liep ze zonder aarzelen naar de keuken.
Ik hoorde de koelkast opengaan.
Lades werden opengetrokken.
Er klonk het zachte tikken van servies.
Vijf minuten later verscheen ze in de woonkamer met een kop koffie in haar hand.
Ze ging zitten.
Geen spoor van haast.
Ze keek op haar telefoon, scrolde wat, dronk rustig van haar koffie.
Toen stond ze op en liep in de richting van onze slaapkamer.
Ik wachtte een paar seconden. Daarna sloop ik haar op blote voeten achterna.
In de slaapkamer stond ze met haar rug naar mij toe.
Ze had mijn kledingkast geopend.
Niet de kant van Bram.
Mijn kant.
Langzaam schoof ze mijn kleren opzij en reikte naar de bovenste plank.
Daar bewaarde ik een oude schoenendoos. Er zaten familiefoto’s in, een paar brieven en een envelop met documenten die ik na de dood van mijn vader had gekregen.
Annelies haalde de doos naar beneden.
Mijn hand balde zich vanzelf tot een vuist.
‘Wat ben je aan het doen?’
Ze draaide zich zo abrupt om alsof iemand haar had aangestoten.
De doos gleed bijna uit haar handen.
‘Sanne?!’
‘Wat zoek je in mijn kast?’
In één tel trok alle kleur uit haar gezicht.
‘Jij… jij bent toch aan het werk?’
‘Denk je echt dat dát nu de belangrijkste vraag is?’
Ze zette de schoenendoos op het bed.
‘Je begrijpt het verkeerd.’
‘Leg het dan uit.’
‘Ik wilde alleen…’
‘Hoe lang kom je hier al?’
Ze gaf geen antwoord.
‘Hoe lang, Annelies?’
‘Een paar weken.’
‘Je liegt.’
Er schoot iets scherps door haar blik.
‘Op welke toon praat jij tegen mij?’
‘Op de toon die je gebruikt tegen iemand die stiekem je huis binnengaat en tussen je persoonlijke spullen zit te zoeken.’
‘Ik zit nergens tussen te zoeken.’
Ik wees naar de doos op het bed.
‘En wat is dit dan?’
Annelies liet zich op de rand van het matras zakken.
Plotseling leek ze ouder. Niet dramatisch, maar wel duidelijk. Alsof alle energie in één keer uit haar was weggelopen.
‘Je mag dit niet aan Bram vertellen.’
Ik lachte kort, ongelovig.
‘Denk je serieus dat dát vanaf hier mijn volgende stap gaat zijn?’
‘Sanne, alsjeblieft.’
‘Wat zoek je?’
Ze zweeg.
‘Geld?’
Ze schudde haar hoofd.
‘Papieren?’
Ook daarop kwam geen reactie.
‘Zoek je iets over mij?’
Toen keek ze me aan.
En precies daardoor wist ik dat ik in de buurt zat.
‘Wat dan?’
‘Niets waarmee ik je kwaad wil doen.’
‘Wat dan wel?’
Uiteindelijk tilde ze het deksel van de schoenendoos.
Met voorzichtige vingers begon ze de oude foto’s door te nemen.
‘Dit,’ zei ze zacht. ‘Hier was ik naar op zoek.’
Ze trok een foto uit de stapel.
De opname was meer dan twintig jaar oud. Ik moest een jaar of acht, negen zijn geweest. Ik stond op een steiger aan het Veluwemeer, naast mijn vader en een andere man aan wie ik nauwelijks nog herinneringen had.
Annelies tikte met haar vinger tegen die derde persoon.
‘Weet je hoe hij heette?’
‘Geen idee. Een collega van mijn vader, dacht ik.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Waarom vraag je dat?’
Ze antwoordde niet.
‘Annelies, wie is die man?’
‘Willem.’
‘Goed. En?’
De foto trilde zichtbaar tussen haar vingers.
‘Willem was mijn oudere broer.’
