Een paar tellen lang dacht ik dat mijn oren me bedrogen.
‘Wat zeg je?’
‘Mijn broer,’ zei Annelies.
‘Jij hebt helemaal geen broer.’
‘Nu niet meer.’
Ik zakte op de andere stoel neer.
‘Ik begrijp hier niets van.’
Annelies bleef naar de foto staren alsof ze bang was dat het beeld zou verdwijnen zodra ze met haar ogen knipperde.
‘Bij ons thuis is er dertig jaar lang niet over hem gesproken.’
Haar stem was zo zacht geworden dat ik me naar haar toe moest buigen om haar te verstaan.
Ze vertelde dat Willem vijf jaar ouder was dan zij. Toen hij jong was, had hij ruzie gekregen met hun vader, omdat hij de kleine familiewerkplaats in Zwolle niet wilde overnemen. Hij vertrok naar Amersfoort en daarna was het contact langzaam maar definitief afgebroken.
‘Ik had hem willen zoeken,’ zei Annelies. ‘Maar mijn vader verbood het. En mijn moeder zei altijd dat het beter was hem met rust te laten.’
‘En wat heeft dat met mij te maken?’
‘Toen ik op jullie bruiloft voor het eerst een foto van je vader zag… kwam iemand me bekend voor.’
‘Mijn vader?’
‘Nee. De man die naast hem stond.’
Ze tikte opnieuw op de foto.
‘Willem.’
‘Maar hoe kan dat nou…’
‘Jaren geleden zag ik op Brams telefoon eenzelfde soort foto, in een map met jullie familiefoto’s.’
Ik voelde hoe er langzaam iets in elkaar begon te schuiven, iets waarvan ik nog helemaal niet wilde dat het een vorm kreeg.
‘Daarom kom je dus elke woensdag hierheen?’
‘In het begin wilde ik alleen weten of er meer foto’s waren.’
‘Stiekem?’
‘Ik wist niet hoe ik het moest vragen.’
‘Door het gewoon te zeggen.’
Annelies liet haar hoofd zakken.
‘Ik was bang.’
‘Waarvoor?’
Daarop had ze niet meteen een antwoord.
Uiteindelijk vertelde ze dat Willem in 2004 was overleden. Dat had ze pas jaren later gehoord, via een oude kennis. Maar ze was er nooit achter gekomen of hij een gezin had gehad, kinderen misschien, of wat er met hem was gebeurd nadat hij met zijn familie had gebroken.
‘En nu denk je dat…’
‘Ik weet niet eens wat ik denk.’
Ze pakte een van de enveloppen uit de doos.
Die herkende ik.
Daar zaten de papieren van mijn vader in.
Een overlijdensakte, oude verzekeringsstukken, een paar kopieën.
Voorzichtig trok Annelies er een vergeeld vel papier uit.
Het was een brief.
Ik had hem nooit eerder gelezen.
Op de envelop stond de naam van mijn vader. Er was geen afzender vermeld.
‘Heb je deze al eens gezien?’ vroeg ze.
‘Nee.’
De brief was gedateerd in 1999.
Hij was kort.
Een man schreef aan mijn vader dat hij hem bedankte voor zijn hulp, en dat ze “Sanne er verder nergens bij moesten betrekken”. Onderaan stond alleen:
Wim.
Mijn maag trok samen.
‘Wat moet dit betekenen?’
Van de koele zelfverzekerdheid die ik Annelies al die tijd had zien dragen als een jas, was niets meer over.
‘Ik weet het niet.’
‘Maar je vermoedt iets.’
‘Ja.’
‘Zeg het dan.’
‘Ik dacht… dat het misschien kon zijn dat Willem jouw vader was.’
Ik schoot overeind.
‘Mijn vader is acht jaar geleden gestorven.’
‘Dat weet ik.’
‘Die man heeft mij opgevoed.’
‘Ik zeg niet dat hij je vader niet was.’
‘Dat is precies wat je wel zegt.’
Toen begon Annelies te huilen.
Voor het eerst sinds ik haar kende zag ik tranen bij haar.
Niet luid, niet dramatisch. Alleen stille tranen die over haar wangen liepen terwijl ze de brief nog altijd in haar hand hield.
‘Ik wilde niets kapotmaken,’ zei ze. ‘Ik wilde alleen weten of er nog iemand van hem over was.’
Die middag kwam Bram eerder thuis dan anders.
Ik luisterde niet naar Annelies toen ze me vroeg te wachten.
Ik vertelde hem alles.
Eerst dacht Bram dat er sprake moest zijn van een vergissing. Daarna las hij de brief, bekeek de foto en zweeg tien minuten lang volledig.
Ten slotte stelde hij zijn moeder maar één vraag.
‘Hoe vaak ben je hier zonder toestemming binnen geweest?’
Annelies keek naar de grond.
‘Zes keer.’
‘Zes?’
‘Ja.’
‘En geen enkele keer kwam het in je op om me gewoon te bellen?’
‘Nee.’
Bram stond op.
‘Geef me de sleutel.’
Zonder protest haalde Annelies hem meteen uit haar tas.
Ze verdedigde zich niet.
’s Avonds bleven Bram en ik met z’n tweeën achter.
De foto lag nog altijd op tafel.
‘Wil jij hier iets mee doen?’ vroeg Bram.
‘Ik weet het niet.’
De volgende dag belde ik mijn moeder.
Toen ik Willems naam uitsprak, bleef het aan de andere kant van de lijn veel te lang stil.
Dat was het moment waarop ik echt bang werd.
‘Kende jij hem?’ vroeg ik.
‘Ja.’
‘Wie was hij?’
Mijn moeder zei dat ze Willem had gekend.
