“Sanne, dit is de verjaardag van een man van vijfenzestig. Geen hippe lunchroom” zei Annelies neerbuigend terwijl ze mijn tafelkleed van de eettafel trok

Verhalen
Haar respectloze bemoeizucht voelde als verraad.

Hij had tenslotte zijn hele leven foto’s gemaakt.

Toen ik de keuken binnenkwam, had Annelies de doos al van de taart gehaald.

‘Wil je die er alsjeblieft weer op zetten?’

‘Ik wilde alleen even kijken.’

‘Tot halfzeven blijft hij in de koelkast.’

‘Tot halfzeven?’

‘Ja.’

‘Volgens mij hoort taart juist aan het begin op tafel.’

‘Misschien bij jullie.’

Op hetzelfde moment voelde ik dat ik dat beter niet had kunnen zeggen.

Annelies verstarde.

Te laat.

‘Bij ons?’ vroeg ze langzaam.

‘Ik bedoel alleen dat iedere familie haar eigen gewoontes heeft.’

‘Natuurlijk,’ zei ze. ‘Tegenwoordig heet alles gewoon een andere gewoonte.’

Ik zette de doos terug over de taart.

‘De rest komt om zes uur. Ik wil voor die tijd alles klaar hebben.’

‘Ga jij dan maar. Ik regel het hier wel.’

‘Je hoeft hier niets te regelen.’

‘Ik probeer alleen te helpen.’

‘Annelies, echt, dat is niet nodig.’

Er viel een stilte.

Daarna zei ze iets wat ik totaal niet had zien aankomen.

‘Mark zei anders dat je me nodig zou hebben.’

Ik keek haar aan.

‘Wat heeft hij gezegd?’

Annelies haalde haar schouders op.

‘Dat je dit in je eentje waarschijnlijk niet zou trekken.’

De keuken leek ineens veel kleiner dan een paar seconden daarvoor.

‘Wanneer heeft hij dat gezegd?’

‘Gisteren.’

Mijn blik schoot richting de woonkamer.

Mark stond niet meer bij de terrasdeur.

Ik liep naar buiten, de tuin in.

Bij de barbecue stond Mark naast Kees, een vriend van mijn vader die net was aangekomen. Ik wachtte tot Kees naar binnen ging en stapte toen op Mark af.

‘Kunnen we even praten?’

Hij keek op.

‘Nu?’

‘Ja. Nu.’

We liepen naar de zijkant van het huis, net ver genoeg van de gasten vandaan.

‘Heb jij tegen je moeder gezegd dat ik deze avond niet aankan?’

Mark fronste eerst, alsof hij niet begreep waar ik het over had.

Of alsof hij deed alsof.

‘Wat?’

‘Gisteren. Je hebt haar verteld dat ik haar hulp nodig zou hebben.’

‘O, dat.’

Dat achteloze “o” maakte me bozer dan een hele uitleg had kunnen doen.

‘Waarom?’

‘Sanne, ik heb alleen gezegd dat er veel mensen zouden komen en dat wat hulp vast handig zou zijn.’

‘Heb ik jou om hulp gevraagd?’

‘Nee.’

‘Dus?’

Mark blies langzaam uit.

‘Je weet hoe mijn moeder is. Ze wil graag nuttig zijn.’

‘Ze is niet nuttig. Ze verbouwt mijn huis.’

‘Maak er nou geen drama van.’

‘Zij máákt er een drama van.’

‘Omdat jij overal meteen bovenop springt.’

Een tel lang kon ik alleen maar naar hem staren.

‘Pardon?’

Hij liet zijn stem zakken.

‘Sanne, je vader is jarig. Wil je echt precies vandaag ruzie met mijn moeder krijgen om een bloemenvaas?’

‘Het gaat niet om die vaas.’

‘Waar dan wel om?’

‘Om het feit dat zij hier, in mijn eigen huis, doet alsof alles van haar is, en jij ondertussen blijft doen alsof ik gewoon overgevoelig ben.’

Daar had Mark geen antwoord op.

Vanaf het hek klonk gelach.

De eerste gasten waren er.

Ik wilde geen scène veroorzaken. Daarom zei ik alleen:

‘Zeg haar dat ze nergens meer aan komt.’

‘Goed.’

‘Ik meen het. Zeg het echt.’

‘Ik zeg het.’

Het volgende halfuur leek het zowaar te werken.

Annelies glimlachte.

Ze zette koffie.

Ze praatte met mijn vader.

Op een gegeven moment zei ze zelfs:

‘Hendrik, u blijft vandaag gewoon lekker zitten. Dit is uw dag.’

Mijn vader keek naar mij en glimlachte.

Even dacht ik dat ik misschien inderdaad te fel had gereageerd.

Toen ging ik naar de keuken om water te halen.

De drie grote schalen salade waren verdwenen.

Ik bleef midden in de keuken staan.

Daarna trok ik de koelkast open.

Ze stonden erin.

‘Wie heeft die daar neergezet?’

Annelies stond bij de gootsteen.

‘Ik.’

‘Waarom?’

‘Omdat niet alles tegelijk op tafel hoeft.’

‘We gaan zo eten.’

‘Dan halen we ze er zo weer uit.’

‘Annelies.’

Ze draaide zich naar me om.

‘Ja?’

‘Ik vraag je om de dingen die ik heb klaargezet niet weg te halen.’

‘Anders verlept het.’

‘Dat gebeurt niet.’

‘Rucola laat je niet in de zon staan.’

‘De tafel staat in de schaduw.’

‘Om zes uur schijnt de zon daar nog steeds op.’

Ik liep naar de koelkast en haalde alle drie de schalen er weer uit.

Annelies lachte zacht.

Niet vrolijk. Eerder ongelovig.

‘Ga je nu echt alles achter mij aan terugzetten?’

‘Ja.’

‘Dit wordt belachelijk.’

‘Dan moet je niet steeds alles verplaatsen.’

Op het aanrecht, naast de spoelbak, stond een grote glazen ovenschaal met een deksel erop.

‘Wat is dat?’

Annelies aarzelde heel even.

‘Niets.’

Ik tilde het deksel op.

Gepaneerde schnitzels.

Minstens dertig stuks.

‘Heb jij dit meegenomen?’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik dacht dat er ook normaal eten moest zijn.’

‘We hadden afgesproken dat niemand iets hoefde mee te nemen.’

‘Mark is er dol op.’

‘Mark is niet jarig.’

Haar gezicht veranderde.

‘Je hoeft niet zo tegen me te praten.’

‘Ik praat normaal.’

‘Je doet al de hele middag alsof ik je vijand ben.’

‘Ik vraag je al de hele middag om niet alles te veranderen.’

‘Omdat het hier een chaos is.’

‘Er is geen chaos.’

‘Jawel,’ zei ze scherp. ‘Het vlees is nog niet eens klaar.’

Bij Wieke Thuis