Natuurlijk.
Sanne.
Marks zus.
Tweeëndertig jaar oud, een vaste baan, en toch een uitzonderlijk talent om elke privé-uitgave om te toveren tot een noodgeval waar de hele familie voor moest opdraaien.
‘Wat voor uitgave?’ vroeg Mark.
Suzanne haalde haar schouders op, alsof het om iets volkomen vanzelfsprekends ging.
‘Haar autoverzekering moest betaald worden.’
‘En waarom heeft ze mij dan niet gebeld?’
‘Omdat ze wist dat jij nee zou zeggen.’
Marks gezicht verstarde.
Ik zette mijn elleboog op tafel en keek Suzanne strak aan.
‘Dus u wist dat Mark haar geen geld wilde geven, en daarom hebt u het alsnog gepakt.’
‘Maak het niet groter dan het is.’
‘Dat doe ik niet,’ zei ik kalm. ‘Ik probeer alleen te begrijpen hoe u dit voor uzelf rechtpraat.’
Suzanne keek me aan met nauwelijks verborgen ergernis.
‘Dat geld lag daar maar.’
Even dacht ik echt dat ik haar verkeerd had verstaan.
‘Pardon?’
‘Jullie sparen. Jullie hadden het op dit moment toch niet direct nodig. Sanne wel.’
‘En daarom mocht u zomaar beslissen dat ons geld beschikbaar was?’
‘Zij is mijn dochter.’
‘En dit is óns geld.’
‘Ook het geld van mijn zoon.’
Mijn blik ging naar Mark.
Hij sloot heel even zijn ogen.
Die zin kenden we.
We hadden hem al veel te vaak gehoord.
Als we iets nieuws voor het huis kochten, zei ze: dat is Marks geld.
Als we een vakantie boekten, zei ze: daar werkt mijn zoon dus voor.
Toen ik na vijf jaar eindelijk mijn telefoon verving, vroeg ze of ze moest hopen dat Mark hem niet had betaald.
Alsof mijn salaris ophield te bestaan zodra het op onze gezamenlijke rekening terechtkwam.
‘De helft van dat bedrag komt van mij,’ zei ik.
Suzanne trok opnieuw haar schouders op.
‘Ik heb toch niet gezegd dat dat niet zo is?’
‘Dan hebt u dus ook van míj gestolen.’
‘Ik betaal het terug.’
‘Wanneer?’
‘Zodra ik kan.’
Nu keek Mark abrupt op.
‘Wat bedoel je met zodra je kan?’
‘Precies wat ik zeg, jongen. Ik druk thuis geen bankbiljetten uit de printer.’
‘Dan was het geen lening,’ zei ik. ‘Bij een lening vraag je eerst toestemming. Je neemt niet gewoon iets mee en noemt het achteraf lenen.’
Suzanne begon met haar vingertoppen zachtjes op het tafelblad te tikken.
‘Hoe kun je van zoiets kleins nou zo’n drama maken?’
Ik stond op.
Zonder nog iets te zeggen liep ik naar het dressoir. Ik trok de lade open, pakte de envelop eruit en voelde meteen dat hij lichter was dan hij hoorde te zijn.
Ik maakte hem open en begon te tellen.
Suzanne bleef bij de tafel zitten en volgde elke beweging van mijn handen.
Mark kwam naast me staan.
Ik telde één keer.
Daarna nog een keer, langzamer.
Toen keek ik op.
‘Er ontbreekt driehonderd euro.’
De stilte viel meteen zwaar de kamer in.
Mark draaide zich naar zijn moeder.
‘Je zei tweehonderd.’
Suzanne gaf geen antwoord.
‘Mam.’
Ze zuchtte kort.
‘Goed… misschien was het driehonderd.’
Ik draaide me volledig naar haar toe.
‘Misschien?’
‘Ik weet het niet meer precies.’
‘U weet niet meer of u tweehonderd of driehonderd euro hebt meegenomen uit een envelop die niet van u was?’
‘Praat niet tegen me alsof ik een dief ben.’
Ik keek haar recht in de ogen.
‘Vertel mij dan hoe ik iemand moet noemen die het huis van een ander binnenkomt, een lade opentrekt, geld vindt, het zonder te vragen meeneemt en twee dagen later niet eens meer weet hoeveel het was.’
Suzanne sprong overeind.
