Maar buiten sloeg de motor aan. Een paar tellen later reed hij weg.
Met trillende vingers belde ik hem na. Pas bij de vierde poging nam hij op. Op de achtergrond klonk muziek, en ik hoorde Maria ergens lachen of praten.
„Wat is er nu weer?” vroeg hij geïrriteerd.
Mijn stem brak bijna toen ik zei: „Mijn vliezen zijn gebroken.”
Aan de andere kant bleef het even stil.
„Bel dan een ambulance.”
„Willem, ik heb je nodig.”
Hij zuchtte hoorbaar, alsof ik hem lastigviel met iets kleins.
„Los het zelf op, Emma. Hou op met dat overdreven gedoe. Ik ben op mama’s verjaardag.”
Daarna verbrak hij de verbinding.
Ik zakte neer op de vloer in de hal. Om me heen lagen de ziekenhuistas, piepkleine babyschoentjes en een zacht jasje dat ik weken eerder had gekocht. Nog nooit had ik me zo in de steek gelaten gevoeld als op dat moment.
Toen bewoog mijn kind in mijn buik.
Dat kleine duwtje, nauwelijks meer dan een schopje van binnenuit, gaf me genoeg kracht om het alarmnummer te bellen.
Twintig minuten later stonden er twee ambulancebroeders in de gang. Een van hen, een kalme man die Tobias heette, pakte mijn hand vast terwijl zijn collega mij onderzocht.
„Waar is de vader?” vroeg hij voorzichtig.
Ik slikte. „Op een verjaardag.”
Tobias wisselde een blik met zijn collega, maar hij zei niets.
In het ziekenhuis ging alles ineens razendsnel. Ik bleek al ver ontsloten te zijn, en bij elke wee zakte de hartslag van mijn baby. Een arts legde uit dat er misschien een keizersnede nodig zou zijn als de situatie niet verbeterde.
Opnieuw belde ik Willem.
Hij nam niet op.
Daarna stuurde ik hem een bericht.
De artsen maken zich zorgen om de baby. Kom alsjeblieft meteen.
Ik zag dat het bericht gelezen werd.
Er kwam geen antwoord.
Een uur later stond mijn oudere zus Sophie in de verloskamer. Ze woonde bijna driehonderd kilometer verderop. Ik had haar alleen gebeld omdat ik niet meer wist wie ik anders moest bereiken. Ze had geen seconde getwijfeld, niet gevraagd of het wel uitkwam, niets. Ze was in de auto gestapt en meteen vertrokken.
Toen ze mij zag liggen, trok al het bloed uit haar gezicht. Niet van schrik, maar van woede.
„Waar is Willem?”
„Bij Maria.”
Sophie klemde haar kaken op elkaar. Toen legde ze haar hand stevig om de mijne.
„Dan ben ik er nu.”
De bevalling duurde elf uur. Elf eindeloze uren van pijn, angst en apparaten die onophoudelijk piepten. Tegen de avond ging de hartslag van Lucas opnieuw achteruit. De arts besloot dat hij met een vacuümpomp gehaald moest worden.
Ik was zo bang dat ik nauwelijks nog lucht kreeg.
Sophie bleef naast me staan. Ze veegde het zweet van mijn voorhoofd en herhaalde telkens weer dezelfde woorden.
„Kijk naar mij, Emma. Je bent niet alleen.”
Om 20.47 uur werd mijn zoon geboren.
Een paar afschuwelijke seconden bleef het stil. Hij huilde niet. Een kinderarts droeg hem naar een tafel, en meerdere mensen bogen zich over zijn kleine lijfje.
„Waarom huilt hij niet?” vroeg ik wanhopig.
Niemand gaf antwoord.
Toen sneed een dun, verontwaardigd huiltje door de kamer.
Ik barstte in tranen uit.
Even later lag Lucas op mijn borst. Hij had donker haar, een klein rimpeltje tussen zijn wenkbrauwen en de mond van Willem.
Ik keek naar hem en begreep niet hoe zijn eigen vader er vrijwillig voor had kunnen kiezen dit moment te missen.
Sophie maakte een foto en stuurde die naar Willem.
Je zoon is geboren. Emma en Lucas hebben het zwaar gehad. Je zou je moeten schamen.
Pas twee uur later reageerde hij.
Fijn dat alles goed is gegaan. Ik kom morgen.
Maar hij kwam niet.
De volgende ochtend schreef hij dat Maria te veel had gedronken en dat ze zijn hulp nodig had. Later die avond liet hij weten dat hij kapot was en niet oververmoeid achter het stuur wilde zitten.
Ik probeerde hem te bellen, maar hij drukte me weg.
Op de tweede dag kwam een verpleegkundige me vertellen dat Lucas vanwege lichte ademhalingsproblemen nog extra in de gaten gehouden moest worden.
