Ik stuurde Willem opnieuw een bericht. Net als de keren daarvoor kwam er slechts een korte, achteloze reactie terug.
Maak jezelf niet gek. Artsen overdrijven vaak, alleen maar om zich in te dekken.
Op dat moment knapte er iets in mij.
Niet met geschreeuw, geen dramatische instorting. Het voelde eerder alsof een deur die ik jarenlang met alle macht had opengehouden, eindelijk in het slot viel.
Ik keek naar mijn slapende zoontje en wist één ding zeker: ik zou nooit toestaan dat hij om aandacht moest smeken.
Lucas mocht niet opgroeien met het idee dat hij altijd na Maria kwam. Na haar stemmingen, haar eisen en Willems lafheid.
Op de derde ochtend mochten we naar huis.
Sophie wilde het liefst bij me blijven, maar ze moest terug naar haar eigen kinderen. Toch stond ze erop me naar huis te brengen en eerst nog boodschappen te doen. Toen we voor mijn woning stopten, stond er een zwarte auto op de oprit.
Bij de voordeur wachtte een man.
Hij was lang, rond de zestig, met grijs haar en een lange donkere jas. Zodra hij mij zag, zette hij langzaam zijn bril af.
Ik herkende hem onmiddellijk, ook al had ik hem bijna acht jaar niet gezien.
‘Papa?’
Mijn vader, Jan De Vries, was hartchirurg en stond aan het hoofd van een privékliniek in Groningen. Na de dood van mijn moeder waren we uit elkaar gegroeid, harder en definitiever dan ik ooit had willen toegeven. Hij had Willem nooit vertrouwd en had mij verweten dat ik mijn hele leven opgaf voor die relatie.
Destijds had ik hem gezegd dat ik geen vader nodig had die mijn keuzes niet kon respecteren.
Sindsdien bestond ons contact uit niet meer dan verjaardagskaarten.
Sophie had hem gebeld.
‘Dat had je niet moeten doen,’ fluisterde ik haar toe.
Ze keek me rustig aan. ‘Deze keer wel.’
Mijn vader kwam een paar stappen dichterbij. Toen zijn blik op Lucas viel, veranderde zijn gezicht. De strakke, strenge uitdrukking verdween. Zijn ogen werden vochtig.
‘Mag ik mijn kleinzoon ontmoeten?’ vroeg hij zacht.
Ik knikte.
In de woonkamer nam hij Lucas met een bijna plechtige voorzichtigheid in zijn armen, alsof hij iets vasthield dat waardevoller was dan alles wat hij ooit had bezeten. Lucas opende heel even zijn oogjes en sloot zijn kleine handje om zijn vinger.
Mijn vader keek naar mij.
‘Het spijt me, Emma.’
‘Waarvoor?’
‘Omdat ik liever gelijk wilde krijgen dan er voor jou te zijn.’
Toen brak ik alsnog. De tranen kwamen zonder waarschuwing. Hij ging naast me zitten en legde zijn arm om mijn schouders.
‘Je hoeft niet bij Willem te blijven om te bewijzen dat je toen de juiste keuze hebt gemaakt,’ zei hij. ‘Je mag een verkeerde beslissing herstellen.’
Die woorden gaven me het laatste beetje moed dat ik nog nodig had.
We praatten uren. Ik vertelde hem alles. Hoe Willem ons gezamenlijke geld aan Maria besteedde. Hoe zij mij kleineerde. Hoe hij telkens zweeg wanneer hij had moeten ingrijpen. Mijn vader onderbrak me niet één keer. Hij luisterde alleen.
Daarna belde ik een advocaat.
Het huis stond op mijn naam. Mijn moeder had het mij nagelaten en volgens onze huwelijkse voorwaarden had Willem er geen enkel recht op.
De advocaat legde precies uit welke stappen ik moest nemen. Ik pakte Willems belangrijkste spullen in twee koffers, zette ze in de hal en liet het slot van de voordeur vervangen.
Iets na zeven uur ’s avonds hoorden we buiten een auto stoppen.
Willem kwam fluitend binnen, alsof er niets aan de hand was. Blijkbaar had hij mijn laatste bericht niet eens gelezen, waarin ik had geschreven dat Lucas en ik uit het ziekenhuis waren ontslagen.
‘Emma?’ riep hij. ‘Waar zijn jullie?’
Een ogenblik later stond hij in de woonkamer.
Eerst zag hij mij. Daarna gleed zijn blik naar Lucas, die rustig sliep in de armen van mijn vader.
Willem trok lijkbleek weg.
Hij was altijd bang geweest voor mijn vader. Niet om zijn geld of om zijn positie, maar omdat Jan De Vries de enige was die hem vanaf het allereerste begin had doorzien.
