“Emma, die schaal kun je beter laten staan. Daar zit salade met mayonaise in. Dat is toch niet goed voor je” zei Jeroen zonder zijn blik van de barbecue te halen en barstte in lachen uit

Verhalen
Onbeschaamde spot vernietigde mijn zorgvuldig opgebouwde trots.

‘Met Emma,’ vervolgde ik in de hoorn. Aan tafel viel ieder geluid weg. ‘Ja, ik weet dat het laat is. Luister, wil je morgenochtend meteen een opzeggingsbrief voorbereiden voor alle lopende overeenkomsten met Bries Media? Allemaal. Vormgeving, social media, seizoenscampagnes, alles. Reden: onvoldoende kwaliteit van communicatie. Ja, voor alle vijf vestigingen. Ja, ik meen het. Een nieuwe partij zoeken we deze week. Dank je.’

Ik legde de telefoon terug op tafel en keek Jeroen aan.

Hij begreep het nog niet. Nog niet helemaal. Hij staarde naar me alsof ik plotseling in een taal was begonnen die hij niet kende.

‘Emma,’ zei hij langzaam, ‘wat doe jij nou?’

‘Jeroen,’ antwoordde ik rustig. ‘Patisserie Plus is van mij. Zoete Zaak is mijn keten. Vijf banketbakkerijen. Tweeëndertig medewerkers. Al zes jaar draait jouw bureau voor een groot deel op mijn opdrachten. Achtenveertigduizend euro per jaar. Bijna de helft van je omzet. Ik heb het nagekeken.’

Zijn gezicht veranderde zichtbaar, laag voor laag. Eerst zag ik verwarring. Daarna begon hij te rekenen. Vervolgens drong het tot hem door. En helemaal aan het einde kwam er iets wat ik nooit eerder bij hem had gezien: angst.

‘Wacht even.’ Hij zette zijn glas neer, te hard. De wijn sloeg over de rand en trok een donkere vlek in het tafelkleed. ‘Patisserie Plus… dat ben jij? Sanne is jouw manager?’

‘Zes jaar lang,’ zei ik. ‘Zes jaar heb jij campagnes gemaakt voor mijn winkels. En zeven jaar lang heb je mij bij elke ontmoeting behandeld alsof ik niets waard was. Je duwde me het zwembad in. Je vernederde me voor mijn zakelijke gasten. In mijn eigen huis.’

Kuipers zat roerloos op zijn stoel. De Vries keek naar Jeroen met een blik die ik maar al te goed herkende: zo kijk je naar een insect dat ineens over je bord kruipt.

‘Emma, kom op, wacht nou even.’ Jeroen kwam overeind. Zijn handen trilden. Voor het eerst in al die jaren zag ik dat hij zijn vingers niet stil kon houden. ‘Dit is zaken doen. Dat moeten we niet door elkaar halen. Mark en ik zijn vrienden. Ik wist het niet. Echt, ik had geen idee!’

‘Je wist niet dat Patisserie Plus van mij was,’ zei ik en knikte. ‘Maar je wist wel dat ik een mens ben. Dat heb je alleen nooit belangrijk gevonden.’

Lisa zat erbij alsof ze versteend was. Haar blik op haar bord gericht. Zoals altijd.

Mark keek naar mij. Hij zei niets. Hij hield me niet tegen. Voor het eerst in acht jaar deed hij dat niet.

‘Emma,’ zei Jeroen, terwijl hij een stap in mijn richting zette, ‘laten we praten. Niet hier. Gewoon even met z’n tweeën. Ik kan—’

‘Nee,’ onderbrak ik hem. ‘Zeven jaar lang heb jij mij voor publiek kleiner gemaakt. Dan mag mijn antwoord ook voor publiek komen. De contracten worden beëindigd. Dat is mijn besluit.’

Ik ging weer zitten, pakte een tartelette en nam een hap. De bessencrème was precies goed: een zachte zweem van vanille, de frisse scherpte van framboos. Voor het eerst die avond was ik volledig tevreden over mezelf.

Jeroen bleef midden in mijn woonkamer staan, naast het besmeurde tafelkleed, met een gezicht dat ik nooit eerder bij hem had gezien. Toen draaide hij zich om en liep weg. Lisa stond meteen op en volgde hem. Even later sloeg de voordeur dicht.

Aan tafel bleef het stil. Ik dronk mijn glas water leeg.

Kuipers schraapte zijn keel.

‘Emma,’ zei hij voorzichtig, ‘die franchise van u is trouwens echt interessant.’

Toen glimlachte ik. Mijn eerste echte glimlach van die hele avond.

Later, toen iedereen vertrokken was, ruimden Mark en ik samen de tafel af. Hij zei lange tijd niets. Pas toen de laatste glazen op het aanrecht stonden, verbrak hij de stilte.

‘Je snapt dat hij me vanaf nu elke dag gaat bellen?’

‘Dat snap ik.’

‘En wat moet ik dan tegen hem zeggen?’

‘De waarheid. Dat hij in mijn huis kwam en de gastvrouw beledigde.’

Mark zette een bord in de gootsteen en keek me aan.

‘Ik had hem al veel eerder moeten stoppen.’

Ik zweeg. Omdat hij gelijk had. Dat had hij moeten doen. Maar hij had het niet gedaan. En ook dat hoorde inmiddels bij dit verhaal.

Er gingen twee maanden voorbij. Jeroen raakte mijn opdrachten kwijt. Achtenveertigduizend euro per jaar is geen krasje op een begroting, maar een gat. Hij moest drie mensen laten gaan en verhuisde met zijn bureau naar een kleiner kantoor. Dat hoorde ik van Mark, die nog altijd eens in de twee weken bij hem langsging.

Volgens de verhalen vertelt Jeroen nu aan iedereen dat ik “wraakzuchtig” ben. Dat ik “misbruik heb gemaakt van de situatie”. Dat ik “privé en zakelijk door elkaar heb gehaald”. En dat een echte ondernemer zoiets niet doet.

Misschien heeft hij gelijk.

Of misschien duwt een echte ondernemer zijn opdrachtgever niet in een zwembad.

Ik heb inmiddels een ander bureau gevonden. Ze leveren net zo goed werk. En ze zijn beleefd. Wonderlijk, nietwaar? Blijkbaar kun je reclamecampagnes maken zonder je klant ondertussen te beledigen.

Mark ziet Jeroen nog steeds, maar alleen. Ik verbied hem niets. Het is zijn vriend. Alleen aan onze tafel komt Jeroen niet meer zitten. En daar heb ik vrede mee. Voor het eerst in zeven jaar voel ik echte rust.

Er blijft maar één vraag door mijn hoofd spoken.

Ben ik te ver gegaan door die contracten op te zeggen waar zijn zakenrelaties bij zaten? Of heeft hij dit zelf over zich afgeroepen, na al die jaren, na tientallen ontmoetingen, na “domme dikke trut” en dat zwembad? Wat zouden jullie hebben gedaan?

Bij Wieke Thuis