‘Ach, doe niet zo moeilijk. Iedereen ligt erin. Of ben je bang dat het zwembad meteen vol is als jij erbij komt?’
Er werd gegrinnikt. Niet door iedereen, twee of drie mensen hooguit. De rest keek ineens net iets te aandachtig naar hun glas, hun bord of het water, alsof ze niets hadden gehoord.
Ik zei niets terug. Ik draaide mijn hoofd weer naar Eva en pakte ons gesprek op alsof er niets was gebeurd. In mijn hoofd dacht ik: laat maar voorbijgaan. Zo ging het altijd. Hij spuugde een rotopmerking uit, ik slikte hem in, de avond liep af en daarna reden we naar huis.
Alleen liep Jeroen dit keer niet weg. Hij bleef achter mijn ligbed staan. Ik voelde zijn aanwezigheid als een schaduw in mijn nek.
Toen verhief hij zijn stem. Hard genoeg voor iedereen.
‘Dom dik wijf! Spring nou gewoon dat water in!’
En hij duwde me.
Met twee handen tegen mijn rug. Hard. Ik stond vlak bij de rand, omdat ik net van het ligbed was opgestaan om afstand van hem te nemen.
Daarna was er alleen water. Een klap tegen mijn hele lichaam. Chloor in mijn neus. Mijn tuniek zoog zich in één seconde vol en trok zwaar naar beneden. Ik kwam proestend boven, greep de rand vast en probeerde lucht te krijgen. Mijn oren suisden. Boven mij zag ik hem staan. Jeroen lachte, spreidde zijn armen en maakte dat gezicht van: kom op, het was maar een grap.
Achttien mensen keken toe. Sommigen lachten. Anderen zwegen. Mark kwam vanaf de barbecue naar me toe gerend. Lisa stond roerloos, zo wit als de muur achter haar.
Ik klom zelf het zwembad uit. Zonder hand, zonder hulp. Mijn natte tuniek plakte aan mijn lijf. Mijn haar zat tegen mijn voorhoofd geplakt. In de zak van die tuniek zat mijn telefoon. Dood. Achthonderd euro aan techniek, veranderd in een nat vod.
Ik trok een handdoek van het dichtstbijzijnde ligbed, sloeg die om me heen en veegde mijn gezicht af. Mijn handen beefden niet. Dat verbaasde me nog het meest.
‘Jeroen,’ zei ik. Mijn stem klonk vlak. Rustig zelfs. ‘Je hebt me net zonder mijn toestemming het zwembad in geduwd. Mijn telefoon is kapot. Die kost achthonderd euro. Ik verwacht dat je dat bedrag uiterlijk morgen naar me overmaakt.’
Zijn lach stokte. Een halve seconde maar. Daarna trok hij zijn mond alweer in een brede grijns.
‘Emma, kom op nou. Het was een grap. Koop gewoon een nieuwe.’
‘Uiterlijk morgen,’ herhaalde ik. ‘Anders doe ik aangifte. Dit is geen grap, Jeroen. Dit is fysiek geweld.’
Het werd stil. Zelfs de muziek leek ineens zachter te staan.
Mark stond naast me. Ook nat, omdat hij het water in was gesprongen om me te helpen, maar tegen die tijd was ik er al uit.
‘We gaan,’ zei Mark.
En voor het eerst in zeven jaar voegde hij er niet aan toe dat Jeroen het vast niet zo bedoeld had.
In de auto zat ik op een handdoek. Er drupte water op de stoel. Ik was doorweekt, woedend en tegelijkertijd ijzig kalm. Een vreemde combinatie. De boosheid brandde niet. Ze was koud en scherp, helder als een winterochtend.
Jeroen maakte niets over. Niet de volgende dag. Niet na drie dagen. Ook niet na een week. Wat hij wel deed, was Mark een bericht sturen: Zeg tegen die van jou dat ze niet zo hysterisch moet doen. Een grap is een grap. Ze mag blij zijn dat ik haar überhaupt verdraag op onze avonden.
Mark liet me het bericht zien. Zonder iets te zeggen.
Ik las het. En op dat moment verschoof er definitief iets in mij. Het brak niet. Nee, het schoof op zijn plek. Alsof een hendel eindelijk in de juiste stand klikte.
Een week later gaven we thuis een etentje. Half zakelijk, half privé. Ik had twee mogelijke franchisepartners uitgenodigd. Mark had een paar collega’s gevraagd. En Jeroen had zichzelf erbij gepraat. Hij belde Mark met: ‘Ik hoorde dat jullie een samenkomst hebben. Ik kom wel met Lisa.’ Mark vroeg mij wat ik ervan vond. Ik zei dat hij mocht komen.
Twaalf mensen zaten aan onze lange tafel. In onze woonkamer, dezelfde ruimte waar ik zo vaak had geprobeerd alles gezellig te houden. Ik had twee dagen gekookt. Niet omdat ik indruk wilde maken op Jeroen. Dat kon me niets schelen. Maar Kuipers en De Vries kwamen ook: eigenaren van een kleine keten cafés in Breda, serieus geïnteresseerd in mijn franchise. Dit diner deed ertoe. Echt.
Jeroen verscheen in zijn vaste nette overhemd, met Lisa naast zich en een fles wijn van twintig euro in zijn hand. Hij omhelsde Mark, knikte naar mij en ging zitten. Het eerste uur gedroeg hij zich normaal. Hij maakte grapjes, vertelde over Turkije, prees het eten. Heel even dacht ik zelfs dat het voorval bij het zwembad hem misschien iets had geleerd.
Nee dus.
Bij het dessert — ik had tartelettes met bessencrème gemaakt, ook helemaal met de hand — leunde Jeroen achterover op zijn stoel. Een glas rode wijn in zijn hand. Zijn blik glom.
‘Emma kan trouwens niet alleen geweldig koken,’ zei hij, terwijl hij zich tot Kuipers richtte, ‘ze kan ook geweldig eten. Mark, vertel eens, hoeveel krijgt ze in één keer naar binnen?’
Kuipers trok een wenkbrauw op. De Vries legde haar vork neer.
Ik zat aan het andere uiteinde van de tafel. Voor me stond een tartelette op mijn bord. Bessencrème. Die had ik die ochtend zelf bereid. Vier uur in de keuken. Twee dagen voorbereiding. Mogelijke franchisepartners. Mijn huis. Mijn tafel. Mijn eten.
En deze man deed het opnieuw.
Binnen in mij werd het doodstil. Geen woede. Stilte. Precies die stilte die valt vlak voordat je een beslissing neemt.
Ik stond op. Kalm. Ik pakte mijn telefoon, de nieuwe, die ik had gekocht omdat de vorige was verdronken. Achthonderd euro uit mijn eigen zak, omdat Jeroen nooit iets had overgemaakt.
Ik drukte op bellen, wachtte tot er werd opgenomen en zei toen: ‘Sanne.’
