Jeroen had de hele zaak voor die avond afgehuurd. Een lange tafel, kraakwitte tafelkleden, muzikanten in een hoek. Lisa droeg een nieuwe jurk en hield zich, zoals altijd, op de achtergrond. Jeroen daarentegen stond precies waar hij het liefst stond: midden in de belangstelling. Bruinverbrand, stralende tanden, een overhemd van zeker driehonderd euro. Hij sloeg binnenkomende mannen stevig op de schouder, omhelsde iedereen alsof hij hen jaren had gemist en kuste de hand van de vrouwen met overdreven charme. Een innemende kerel, zolang je hem niet echt kende.
Ik zette de doos op een apart tafeltje en tilde het deksel eraf. De taart glansde onder het licht. De karameldraden vingen de lampen en leken bijna te fonkelen. Meteen kwamen er een paar gasten dichterbij om foto’s te maken.
‘Wie heeft die gemaakt?’ vroeg een vrouw in een bordeauxrode jurk.
‘Ik,’ zei ik.
‘Bent u banketbakker?’
‘Ja.’
Toen kwam Jeroen erbij staan. Eerst keek hij naar de taart. Daarna naar mij.
‘Emma,’ zei hij, ‘die taart is natuurlijk indrukwekkend. Maar had je niet beter wat minder room aan jezelf kunnen besteden?’ Hij lachte hard en draaide zich naar de anderen. ‘Onze Emma houdt van zoetigheid. Dat zie je wel, toch?’
Daarbij gaf hij me een klapje op mijn schouder.
Ik stond naast een taart van bijna vier kilo, waar zes uur werk in zat, terwijl twintig mensen naar mij keken. Iemand wendde zijn blik af. Een ander perste een ongemakkelijke glimlach tevoorschijn. Lisa bestudeerde plotseling heel aandachtig haar glas.
Binnen in mij klikte iets dicht. Het was geen woede. Het was scherper. Alsof er een slot omging.
‘Jeroen,’ zei ik kalm, ‘deze taart kost honderdtwintig euro. Ik heb er zes uur aan gewerkt. Jij hebt zojuist een rotopmerking gemaakt tegen de vrouw die jou een handgemaakt cadeau brengt. Dus ik neem hem weer mee.’
Ik deed het deksel terug op de doos.
Het werd zo stil dat je ergens achterin, bij de keuken, water hoorde druppen.
‘Meen je dit?’ Jeroen knipperde met zijn ogen.
‘Volkomen.’
Ik pakte de doos op. Vier kilo. Mijn handen trilden niet. Ik draaide me om en liep naar de uitgang.
Mark haalde me in op de parkeerplaats.
‘Emma, wacht nou even.’
‘Ik wacht in de auto.’
‘Hij bedoelde het niet zo. Hij is gewoon—’
‘Mark.’ Ik zette de doos even op de motorkap. ‘Hij is al zeven jaar “gewoon”. Elke keer dat we hem zien. Waar iedereen bij staat. Ik ben klaar met doen alsof dit normaal is. We gaan.’
We reden weg. De volgende ochtend bracht ik de taart naar de bakkerij. Binnen een uur was hij verkocht.
Onderweg zei Mark geen woord. Pas thuis kwam het eruit.
‘Hij is beledigd.’
‘Ik ook,’ antwoordde ik.
Die avond zat ik alleen aan de keukentafel. Buiten was alles stil. Ik dronk thee en dacht eraan dat honderdtwintig euro uiteindelijk maar geld was. En zes uur werk was uiteindelijk maar tijd. Maar twintig mensen die hadden gezien hoe ik mijn cadeau weer meenam, dat was nieuw. Ik wist niet zeker of ik juist had gehandeld. Wel zat mijn rug rechter dan anders. En dat telde ergens voor.
Twee weken later belde Jeroen alsof er niets gebeurd was. Hij gaf een feestje bij het zwembad en nodigde ons uit. ‘Maar deze keer zonder taarten,’ grapte hij.
Ik wilde niet gaan. Echt niet. Ik zei tegen Mark dat hij zonder mij moest gaan. Hij knikte. Twee dagen later begon hij er toch weer over.
‘Emma, Bart en Eva komen ook. En Bas. We hebben ze in geen eeuwigheid gezien. Ik vraag je niet om het goed te maken met Jeroen. Kom gewoon mee. Voor mij.’
Voor hem. Al acht jaar lang deed ik dingen “voor hem”. Elke feestdag, elk gezamenlijk weekend, elk stom feestje. Ik had het uitgerekend: in zeven jaar tijd hadden we Jeroen ongeveer zestig keer gezien. Acht, soms tien bijeenkomsten per jaar. En geen enkele keer zonder een opmerking over mijn gewicht, mijn eten, mijn lichaam of mijn kleren.
Zestig ontmoetingen. Zestig vernederingen. En telkens glimlachte ik, zweeg ik of verdween ik naar een andere kamer. Daarna zei Mark steevast: ‘Hij bedoelt het niet kwaad.’
Ik ging toch mee.
Jeroen had een huis buiten de stad. Een grote tuin, een zwembad, een plek voor de barbecue. Alles was mooi, alles was duur. Hij hield ervan om dat te laten zien: kijk eens wat ik heb bereikt. Witte ligbedden, verlichting in het water, speakers waar muziek uit kwam. Er waren achttien gasten. De helft kende ik, de andere helft niet.
Ik droeg een badpak met daaroverheen een tuniek. Maat tweeënvijftig, ja, ik ben fors. Dat weet ik. Ik weet het iedere ochtend als ik opsta, me aankleed, naar mijn werk ga, vijf banketbakkerijen aanstuur en het salaris betaal van tweeëndertig medewerkers. Mijn gewicht is mijn gewicht. Het is niet zijn onderwerp.
Het eerste uur verliep rustig. Jeroen was druk met de barbecue en met nieuwe gasten begroeten. Ik zat op een ligbed, dronk limonade en praatte met Eva. Eva mocht ik graag. Zij was ook stevig gebouwd en ook zij moest Jeroens grappen verdragen, al gebeurde het bij haar minder vaak omdat ze hem maar een paar keer per jaar zag.
Toen kwam Jeroen onze kant op. Met een glas in zijn hand en die glimlach op zijn gezicht. Bruin, strak, zelfverzekerd. Hij bleef naast me staan.
‘Emma, waarom ga jij niet het zwembad in? Het water is heerlijk warm.’
‘Geen zin,’ zei ik.
Hij trok zijn wenkbrauwen op en nam zichtbaar aanloop voor zijn volgende opmerking.
