‘Emma, die schaal kun je beter laten staan. Daar zit salade met mayonaise in. Dat is toch niet goed voor je,’ zei Jeroen, zonder zijn blik van het vlees op de barbecue te halen. Daarna barstte hij in lachen uit.
We zaten met z’n twaalven aan tafel, op de zomerveranda van ons huis. De vleesspiezen had ik al sinds de ochtend voorbereid. De marinade was volgens een recept waaraan ik drie jaar had gesleuteld. En die salade, trouwens, had ik óók gemaakt.
Zo ging het al zeven jaar. Vanaf de allereerste ontmoeting. Mark had hem meegenomen om kennis te maken, en Jeroen had me van top tot teen opgenomen, gefloten en gezegd: ‘Nou, Mark, ik wist niet dat jij zo van volle vormen hield.’ Ik glimlachte toen nog. Ik dacht dat het een grap was. Bot, ja, maar een grap.
Daar zat ik naast.
Mark en ik trouwden acht jaar geleden. Ik was veertig, hij achtendertig. Voor ons allebei was het een tweede huwelijk. Mark werkte als ingenieur bij een ontwerpbureau. Ik had toen net mijn tweede vestiging van De Zoete Zaak geopend, mijn eigen banketbakkerijketen. Helemaal zelf opgebouwd. Geen leningen, geen rijke vader, geen cadeautjes. Drie jaar lang stopte ik iedere verdiende euro terug in het bedrijf. Toen we trouwden, had ik twee zaken. Inmiddels zijn het er vijf.

Jeroen was Marks vriend sinds de basisschool. Ze waren samen groot geworden, hadden samen in dienst gezeten en gingen nog ieder jaar in oktober vissen. Voor Mark voelde Jeroen bijna als familie. Dat begreep ik. Daarom slikte ik veel.
Jeroen had een reclamebureau: Bries Media. Logo’s, verpakkingen, online campagnes, dat soort werk. Eerlijk is eerlijk, hij deed het niet slecht. Alleen wist hij één belangrijk detail niet. Zes jaar eerder had ik een bureau nodig voor een volledige rebranding: een nieuwe huisstijl voor alle vestigingen, verpakkingen, menukaarten en gevelborden. Mijn manager, Sanne, selecteerde drie bureaus. Een daarvan was Bries Media. Hun prijs was het beste, hun planning ook. Ik tekende het contract via mijn bv, Konditor Plus. Sanne werd contactpersoon. Zes jaar lang werkte Jeroen dus voor mijn bedrijf, zonder ook maar te vermoeden dat de vrouw van zijn beste vriend zijn facturen betaalde.
Achtenveertigduizend euro per jaar. Dat was mijn jaarlijkse budget voor zijn bureau. Menukaarten ontwerpen, seizoensacties bedenken, nieuwe filialen vormgeven, sociale media beheren. Iedere maand ging er keurig vierduizend euro zijn kant op.
Mark wist het. Ik had hem gevraagd er niets over te zeggen. Vriendschap en zaken wilde ik gescheiden houden. En Mark hield zijn mond.
Jeroen bleef ondertussen grappen maken.
Die avond op de veranda zette ik de laatste schaal op tafel, geroosterde groenten, en ging naast Mark zitten. Jeroen schonk al wijn in. Zijn vrouw Lisa zat tegenover me en keek strak naar haar bord. Dat deed ze altijd zodra haar man begon.
‘Emma, je had voor de zomer best een beetje kunnen afvallen,’ zei Jeroen terwijl hij haar een glas aanreikte. ‘Trek je eigenlijk nog een badpak aan? Of verstop je je dan onder zo’n omslagdoek?’
De gesprekken stierven onmiddellijk weg. Iemand kuchte ongemakkelijk. Mark legde zijn hand op mijn knie. Een bekend gebaar. Het betekende: hou nog even vol. Hij bedoelt het niet kwaad.
Ik pakte mijn glas en keek Jeroen recht aan.
‘Jeroen, weet jij eigenlijk dat jouw bureau die lening voor het kantoor nog steeds niet heeft afbetaald?’ vroeg ik kalm. Alsof ik het over het weer had. Ik wist het omdat Sanne het eens terloops had genoemd; ze hadden ontwerpen te laat aangeleverd en dat verklaard met problemen rond de huur.
Zijn glimlach haperde. Heel even maar. Daarna lachte hij luid.
‘Hoe weet jij dat nou weer van mijn kantoor?’ Hij draaide zijn wijnglas tussen zijn vingers. ‘Heeft Mark dat verteld? Lekker bezig, broer.’
Mark zei niets.
Ik dronk mijn glas leeg. Jeroen sprong over op andere onderwerpen: voetbal, vakantie, een nieuwe auto. Zijn vaste repertoire. En ik dacht: vooruit dan. Het is niet de eerste keer. Ik kom er wel weer overheen.
Later die avond, toen iedereen vertrokken was, stond ik de afwas te doen. Mark kwam achter me staan en sloeg zijn armen om me heen.
‘Vergeef het hem. Zo is hij nu eenmaal.’
‘Ik weet precies hoe hij is,’ antwoordde ik. ‘Maar “zo is hij nu eenmaal” is geen excuus.’
Mark kuste me op mijn achterhoofd en ging naar bed. Ik bleef bij de gootsteen staan. Het hete water liep over mijn handen, maar ik voelde geen warmte. Alleen vermoeidheid. Zeven jaar lang dezelfde opmerkingen. Zeven jaar lang dezelfde verontschuldigingen van Mark. Zeven jaar lang dat zwijgen aan tafel.
Een maand later belde Jeroen. Hij nodigde ons uit voor zijn verjaardag. Tweeënveertig werd hij.
Ik bakte een taart. Achteraf gezien was dat misschien dwaas. Maar ik bén nu eenmaal banketbakker. Drie lagen, chocoladeglazuur, karameldecoratie. Zes uur werk. De meringue apart, de vulling apart, de afwerking apart. Het ding woog bijna vier kilo.
Mark droeg de doos naar de auto alsof er een baby in lag.
‘Hij is prachtig,’ zei hij. ‘Jeroen zal achterover slaan.’
Dat deed Jeroen ook. Alleen niet op de manier die wij hadden verwacht.
Er waren twintig mensen aanwezig in een restaurant.
