‘Sophie, ik heb erover nagedacht en ik ben tot een besluit gekomen: mijn salaris is mijn privé geld. Ik heb het verdiend, dus ik bepaal zelf waar ik het aan uitgeef. Aan dingen die ik wil, aan de auto, aan hulp voor mijn moeder. En leven doen we voortaan van jouw loon. Jij bent tenslotte zo’n zuinige vrouw, jij weet altijd precies waar de aanbiedingen in de supermarkt liggen. Dat kun je dus prima regelen.’
Ik bleef met de spons over die oude vetvlek op de tegels boven het fornuis schuren. Zo hard dat mijn nagels onder de rubberen handschoenen begonnen te zeuren en er een naar, piepend geluid over het keramiek schraapte. De doek trilde in mijn hand, maar ik draaide me niet om. De scherpe lucht van schoonmaakmiddel prikte in mijn neus, vermengd met de geur van aangebrande saus. Jan had wéér vergeten de pit uit te zetten toen hij de stoofpot overhevelde.
‘Privé geld, zeg je,’ zei ik, terwijl ik langzaam uitademde en doorging met boenen. ‘Jan, vind je het dan helemaal normaal dat we nog twintig jaar aan de hypotheek vastzitten en dat Daan dit jaar naar school gaat? Spullen, gymkleren, boeken… Heb je enig idee wat fatsoenlijke boodschappen tegenwoordig kosten als je niet alleen op pasta wilt leven?’
‘Ach, begin nou niet meteen,’ bromde Jan, terwijl hij langs me heen liep en met zware hakken over het laminaat stampte. ‘Jij maakt overal een drama van. Ik zeg toch niet dat ik nooit iets zal geven? Als het echt niet anders kan, vraag je het maar, dan kijk ik wel. Maar in principe ligt het huishouden bij jou. Jij bent toch altijd zo correct, zo voor eerlijkheid en verantwoordelijkheid? Laat dan maar eens zien hoe goed je kunt boekhouden.’
Hij liet zich aan tafel zakken en zette de televisie veel te hard aan. Er was zo’n stompzinnig programma op waarin mensen elkaar alleen maar overschreeuwden, en dat lawaai boorde zich in mijn slapen alsof de buren met een boorhamer bezig waren. Al deden de bovenburen daar trouwens ook nauwelijks voor onder. Hun verbouwing duurde inmiddels al twee jaar en het monotone geronk van hun boormachine was de vaste achtergrondmuziek geworden van ons langzaam uit elkaar vallende gezinsleven.

Ik veegde mijn handen af aan mijn schort en draaide me naar mijn man toe. Jan zat daar in zijn favoriete uitgelubberde hemd, pulkte met een tandenstoker tussen zijn kiezen en straalde met alles uit dat de zaak voor hem was afgehandeld. De man die ooit mijn lieve Jan was geweest, die me had beloofd dat hij de wereld voor me zou verzetten, was veranderd in iemand die vond dat zijn wensen automatisch bovenaan kwamen omdat hij zogenaamd het hoofd van het gezin was. En die van mij? Die zouden vanzelf wel ergens verdwijnen.
‘Jan, meen je dit echt?’ vroeg ik. Ik leunde tegen de gootsteen en voelde de kou van het metaal door mijn oude T-shirt heen. ‘Ik verdien ongeveer €2.300 per maand. Daarvan gaat €1.150 direct naar de hypotheek. Dan blijft er €1.150 over. Voor drie mensen. Dat is nog geen €400 per persoon per maand. Wil je serieus dat we met Daan erbij van ongeveer dertien euro per dag eten?’
‘Er zijn mensen die met minder rondkomen,’ zei hij, zonder zelfs zijn hoofd naar me toe te draaien. ‘Koop granen, seizoensgroenten. En vlees is in zulke hoeveelheden toch ongezond, dat heb ik gelezen. Kortom, Sophie, val me er niet mee lastig. Morgen ga ik nieuwe velgen voor de auto bekijken, dus ik heb mijn geld nodig.’
Op dat ogenblik begreep ik dat hij in zijn hoofd alles al netjes had uitgetekend. Het plan lag klaar. En in dat plan was ik niet meer dan een gratis bijlage die het comfort van de grote kostwinner moest garanderen.
