‘Ik heb me niet twee banen tegelijk uit de naad gewerkt om dit vakantiehuis te kopen, zodat jouw moeder er vervolgens haar hele rondreizende familie naartoe sleept en er een pension van maakt. Leg de sleutels op tafel, Jan. En zorg dat er vanavond geen spoor meer van hen te bekennen is.’ Emma verhief haar stem niet. Ze sprak juist laag, dof en gevaarlijk kalm, op die toon waardoor haar medewerkers op kantoor meestal een koude rilling kregen en elk voornemen om tegen te sputteren vanzelf verdween.
Ze stond bij de wijd openstaande poort, met één hand steunend op de motorkap van haar auto. Het metaal brandde onder haar palm, maar die hitte stelde niets voor vergeleken met de kokende woede die in haar borst omhoogkwam. Voor haar ogen voltrok zich een tafereel dat op een plaatselijke ramp leek. Haar kleine, zorgvuldig ingerichte huisje, haar veilige burcht, waarvoor ze twee jaar lang vakanties en vrije weekenden had opgeofferd, zag er ineens uit als een stationsplein op marktdag.
Jan stond voor haar en verschoof ongemakkelijk van zijn ene voet op de andere. In zijn ene hand hield hij een aangebeten stuk brood; met de andere probeerde hij onopvallend een ketchupvlek op zijn T-shirt te bedekken. Hij had iets van een scholier die op het toilet met een sigaret was betrapt: schuldig, nerveus en nergens lang naar durvend kijken.
‘Emma, waarom moet je nou meteen zo tekeergaan?’ begon hij op zijn bekende zeurderige toon, terwijl hij een glimlach probeerde tevoorschijn te halen. Die bleef scheef en krampachtig aan zijn gezicht hangen. ‘Vreemden zijn het toch niet? Het is oom Pieter met zijn gezin, tante Maria… Mam zei alleen dat het zonde was om met dit weer binnen te blijven. We zijn toch familie? Je hoeft niet alles zo voor jezelf te houden.’
Zonder iets te zeggen keek Emma langs hem heen. Op haar strak gemaaide gazon, dat ze na haar werkdagen met bijna fanatieke zorg had opgeknapt, stond een vieze, verroeste Logan. Midden op het gras, met de wielen erin gedrukt. Uit de open ramen van de auto schalde ordinaire feestmuziek; de bassen leken de ruiten van het huis te laten trillen.

Iets verderop, vlak bij de veranda, rookte een goedkope inklapbare barbecue. De rook was zwart en scherp, alsof iemand er gul aanmaakvloeistof overheen had gegoten zonder zich om de chemische stank te bekommeren. Rond de barbecue draafde een zware man in een mouwloos hemdje heen en weer, bezweet en vuurrood in het gezicht. Hij wapperde zo fanatiek met een stuk karton boven de kolen dat de vonken richting de pas geverfde leuning van het trapje vlogen.
‘Familie?’ herhaalde Emma, en in haar stem klonk iets hards als metaal. ‘Jan, ik heb die mensen één keer gezien. Vijf jaar geleden, op onze bruiloft, toen ze probeerden een schoen te stelen en daarna ruzie kregen met een ober. Dat is geen familie. Dat is een natuurramp. Jij vroeg de sleutels omdat je het gras zou maaien en het gaas van de schutting zou vastzetten. Ik zie het, je hebt geweldig werk geleverd. Het gras is platgereden, en dat net wordt blijkbaar overeind gehouden door die zak houtskool daar.’
Ze stapte het terrein op zonder op een uitnodiging te wachten. Haar hakken knerpten in het grindpad. Jan haastte zich achter haar aan en probeerde haar de weg af te snijden, maar hij durfde haar arm niet aan te raken.
‘Emmaatje, hou het nou even vol, ja? Het is toch gênant, de mensen zijn er nu eenmaal, alles staat al klaar. Mam heeft er zo haar best op gedaan, ze heeft het vlees gisteravond al gemarineerd. Ze wisten niet dat jij zou komen. Ik dacht: we zitten gewoon rustig bij elkaar, gewoon gezellig, onder ons…’
‘Onder ons? Met tien man op zeshonderd vierkante meter?’ viel ze hem scherp in de rede, terwijl ze abrupt bleef staan bij haar trots: de rotstuin.
Wat ze daar aantrof, deed haar heel even de ogen sluiten. Op de stenen, tussen de zeldzame vetplantjes en de dwergconiferen die ze speciaal bij een kwekerij had besteld, stond een aangebroken waterfles van vijf liter. Ernaast lag een berg plastic bekertjes. Iemand had kennelijk besloten dat haar rotstuin een uitstekend natuurlijk buffet was. Een vette wegwerpbord met een half opgegeten stuk komkommer kleefde tegen de jeneverbes.
‘Haal dat weg,’ zei Emma zacht, terwijl ze naar de rotstuin wees. ‘Nu meteen.’
‘Ja, ja, dat ruimen we op, natuurlijk, wat is nou het probleem,’ wuifde Jan weg, maar hij raakte de fles niet aan. ‘Ga liever even gedag zeggen. Kijk, mam zwaait naar je.’
Op de veranda zat Anna alsof zij de eigenares was, breeduit in Emma’s rieten stoel. Precies die stoel waarin Emma zich had voorgesteld met een boek en een kop koffie te zitten. Anna leek op een generaal die een parade afnam: een felgebloemde kamerjas om haar lichaam, een glas wijn in haar hand. Toen ze haar schoondochter zag, deed ze niet eens moeite om op te staan. Ze hief alleen groetend haar glas en riep iets luid over de muziek heen.
Emma voelde hoe er binnen in haar iets omschakelde. Het laatste restje medelijden met haar man, dat ergens diep vanbinnen nog had gegloeid, verdampte. Wat overbleef, was afkeer. Ze keek naar Jan, die haar op dat moment net zo misplaatst en vreemd voorkwam als de plastic borden tussen haar planten. Hij hoorde ineens bij deze kermis, bij deze indringers op haar grond.
‘Ik ga niemand begroeten, Jan. Ik heb geen gasten uitgenodigd. Ik ben thuisgekomen. In mijn huis. Het staat op mijn naam en ik betaal de hypotheek. Jij loopt nu naar je moeder en vertelt haar dat het feest voorbij is. Jullie krijgen één uur om de spullen in te pakken, de rotzooi op te ruimen en die auto van mijn gazon te halen.’
‘Ben je gek geworden?’ siste Jan. Voor het eerst flitste er echte angst door zijn ogen. ‘Hoe moet ik dat tegen ze zeggen? Ze zullen zich beledigd voelen! Oom Pieter is helemaal uit de provincie gekomen. Mijn moeder maakt er een scène van, je kent haar toch. Kun je niet gewoon… je omkleden, een uurtje bij ons komen zitten, en dan gaan ze vanavond vanzelf weg? Doe niet zo kil, Emma.’
‘O, nu ben ik kil?’ Emma lachte kort en bitter. ‘Toen ik een halfjaar zonder vrije dagen werkte om de eerste aanbetaling rond te krijgen, was ik nog fantastisch. Maar zodra ik niet wil dat mijn huis wordt veranderd in een kroeg, ben ik ineens een kreng?’
Op dat moment rende een smoezelig kind van een jaar of zeven langs hen heen. Gillend schopte hij tegen een opblaasbal. De bal knalde met een doffe klap tegen de pas geplante thuja en brak de top af. Emma kromp ineen alsof de klap haarzelf had geraakt. Jan wendde schuldbewust zijn blik af.
‘Eén uur, Jan. De tijd loopt. Als er over zestig minuten nog maar één levende ziel hier rondloopt behalve ik, bel ik een sleepdienst voor dat wrak. En de spullen van jouw familie gooi ik eigenhandig over de schutting. Geloof me, het kan me niet schelen waar ze terechtkomen: in de modder of in de brandnetels.’
Ze draaide zich om en liep richting het huis, slingerend tussen onbekende mensen door die haar met wantrouwige, taxerende blikken volgden. Sommigen vielen stil, anderen kauwden onverstoorbaar verder, alsof de eigenares er helemaal niet toe deed. De lucht hing zwaar van goedkope houtskool, alcoholwalm en brutale, vreemde parfum. Emma liep de trap naar de veranda op.
