“Ik trek bij jullie in. Jij bent nog jong, jij kunt best plaatsmaken” zei haar schoonmoeder kil terwijl Sophie verstijfd in de deuropening stond

Verhalen
Dit brute, onrechtvaardige optreden voelde hartverscheurend oneerlijk.

‘Jouw kaptafeltje, Sophie, zetten we wel op het balkon. Op die plek past mijn Roemeense vitrinekast precies.’

Het gele metalen lint van het meetlint schoot met een scherp, roofdierachtig klikje terug in de plastic houder en miste Anna’s nagel op een haar na.

Mijn schoonmoeder stond midden in onze slaapkamer alsof ze een veldheer was die eigenhandig de grenzen van veroverd gebied uittekende. Ik bleef in de deuropening staan en besefte pas later dat ik mijn buitenschoenen nog aanhad.

Mijn blik gleed van haar naar ons bed. Daarop lag een vreemde tweepersoonsmatras, nog strak verpakt in fabrieksplastic. Mark stond bij het raam van zijn ene voet op de andere te wiebelen en bestudeerde de plint met overdreven belangstelling. Hij zag eruit als een weekdier dat plotseling had ontdekt dat iemand zijn schelp was vergeten.

Op mijn nachtkastje glansde, bijna spottend, een bos reservesleutels van ons appartement. Precies die sleutels die Mark altijd in zijn tasje bij zich droeg.

‘Welke vitrinekast, Anna?’ vroeg ik beheerst, terwijl er diep vanbinnen iets kouds en strak op spanning kwam te staan.

‘Die van mij. Uit de woonkamer,’ beet ze me toe, terwijl ze mijn parfumflesjes met afkeer opzij schoof. ‘En haal je make-up ook maar weg. Ik kan niet tegen al die chemische troep.’

Ze keek me aan alsof alles al besloten was. ‘Heeft Mark je dat soms niet verteld? Alleen wonen in mijn tweekamerflat, helemaal aan de andere kant van de stad, valt me zwaar. Mijn bloeddruk doet weer moeilijk.’

Daarna kwam het vonnis, uitgesproken alsof het de normaalste zaak van de wereld was. ‘Ik trek bij jullie in. Jij bent nog jong, jij kunt best plaatsmaken.’

Ze wees naar de gang. ‘Je spullen breng je maar naar dat kleine kamertje waar jullie al die rommel bewaren. De slaapkamer wordt van mij. Mark heeft zelfs al een orthopedische matras voor me besteld.’

Eindelijk rukte Mark zijn blik los van de plint. Met een gezicht vol eerlijk lijden mompelde hij:

‘Sophie, kom op… Mam heeft zorg nodig. We zijn toch familie? Verplaats gewoon je spullen.’

Hij slikte en voegde er zachter aan toe: ‘Mam en ik regelen het hier wel. Jij moppert even en daarna wen je eraan.’

Uit de gang klonk gekreun en even later verscheen onze buurvrouw van de overloop in de deuropening: de alomtegenwoordige Emma. In haar armen hield ze voorzichtig een kartonnen doos met zwaar, ouderwets kristal.

‘Waar moet dit staan, Anna?’ vroeg ze honingzoet, terwijl ze mij nieuwsgierig opnam.

‘Daar, bij de kast,’ wuifde mijn schoonmoeder.

Toen draaide ze zich naar mij om en zei extra luid, zodat Emma geen woord zou missen:

‘Schoondochters komen en gaan, maar een zoon heeft maar één moeder.’

Daarna glimlachte ze triomfantelijk. ‘Sophie is een verstandige vrouw. Die zet een oude, zieke moeder toch niet op straat uit het huis van haar eigen zoon. Morgen regelen we de rest wel.’

Bij Wieke Thuis