‘Gezamenlijk?’ Jan lachte schamper, alsof ze iets belachelijks had gezegd. ‘Waar heb je het in vredesnaam over? Jij bent een gepensioneerde docente. Wat weet jij nou van zaken?’
‘Ik heb er ook geld in gestoken,’ antwoordde Emma. ‘En ik heb kwitanties.’
‘Kwitanties?’ Zijn stem sloeg even over. ‘Doe niet zo dwaas. Dat waren cadeaus.’
‘Dan leggen we dat wel aan de rechter uit,’ zei Emma, tot haar eigen verbazing kalm en vastberaden. Daarna verbrak ze de verbinding.
Haar hart bonsde zo hard dat het pijn deed. Nog nooit had ze op deze manier tegen hem gesproken. Altijd had ze ingeslikt, toegegeven, een stap teruggedaan. Tweeëndertig jaar lang had ze zich geschikt. En nu…
‘Heb ik dat echt gezegd?’ fluisterde ze. Voor het eerst in dagen trok er een glimlach over haar gezicht.
De weken daarna gingen voorbij alsof ze door mist liep. Emma verzamelde papieren, sprak met Anna, probeerde juridische begrippen te begrijpen waarvan ze tot voor kort het bestaan niet eens kende. Op de hogeschool nam ze verlof; college geven lukte haar niet, haar gedachten dwaalden telkens af naar mappen, rekeningen en handtekeningen.
‘Em, je bent afgevallen,’ merkte Iris, haar collega, op toen ze haar in de docentenkamer zag. ‘Je moet iets eten.’
‘Daar heb ik geen tijd voor,’ wuifde Emma weg. ‘Ik moet alle documenten ordenen.’
Iris keek haar bezorgd aan. ‘Luister… die man van jou… bedreigt hij je niet?’
‘Voorlopig alleen via de telefoon.’ Emma trok haar mond scheef. ‘Hij belt steeds en zegt dat ik “bij zinnen moet komen”. Alsof ík degene ben die gek is, snap je?’
Diezelfde avond belde Lucas.
‘Mam, hij maakt me helemaal gek,’ klonk zijn stem vermoeid. ‘Hij belt me elke dag. Ik moet zogenaamd op jou inpraten.’
‘En wat zeg jij dan?’
‘Wat moet ik zeggen? Ik heb gezegd dat dit iets tussen jullie is. Toen werd hij woest.’
Emma zuchtte zacht. Lucas had zich altijd op afstand gehouden van de spanningen tussen haar en Jan. Misschien was dat maar beter ook geweest.
‘Mam, red je het een beetje?’
‘Ik red me,’ zei ze, al moest ze even slikken. ‘Weet je, ik heb oude foto’s gevonden. Van toen we het huis bouwden. Jij was toen nog klein.’
‘Natuurlijk weet ik dat nog! Ik sjouwde met bakstenen,’ lachte Lucas. ‘En pa stond alleen maar aanwijzingen te geven.’
‘Precies. En het geld kwam van mij.’
Aan de andere kant bleef het even stil. ‘Wat bedoel je?’
‘Dat ik mijn hele salaris van de hogeschool in bouwmaterialen heb gestopt. Zelfs de oude betalingsbewijzen heb ik nog.’
‘Serieus? Hij beweert altijd dat hij alles in zijn eentje heeft opgebouwd…’
Op dat moment piepte haar telefoon. Een inkomend gesprek van Jan. Emma drukte hem weg.
‘Daar is hij weer. Hij belt tegenwoordig elke dag.’
‘Neem niet op.’
‘Doe ik ook niet. Maar hij komt gewoon langs.’
De dag ervoor was Jan onverwacht voor haar deur verschenen. Hij had daar gestaan met die blik waarmee hij haar vroeger zonder één woord tot zwijgen kon brengen. Ooit werkte dat. Nu niet meer.
‘Geef die kwitanties terug,’ had hij geëist.
‘Nee.’
‘Emma, je speelt met vuur.’
‘Jíj speelt, Jan. Met mij. Al tweeëndertig jaar.’
Hij had de voordeur zo hard dichtgeslagen dat er een stukje stucwerk naar beneden was gekomen.
En vandaag was zij gekomen. Jong, glad, zorgvuldig opgemaakt, met een brutale blik alsof de wereld haar iets verschuldigd was.
‘Ik ben Sophie,’ stelde ze zich meteen voor. ‘Wij moeten praten.’
‘Waarover?’ Emma sloeg haar armen over elkaar.
‘Over Jan. Hij lijdt hieronder. Jullie gaan toch uit elkaar, waarom dan al dit theater?’
‘Welk theater bedoelt u?’
‘Nou, die… eisen. Het huis. Het geld.’
‘Mijn geld,’ verbeterde Emma haar.
Sophie rolde met haar ogen. ‘Kom nou, welk geld van u? Jan heeft zaken gedaan, en u…’
‘En ik wat?’
Het meisje haperde.
‘Nou ja… u was thuis.’
‘Ik geef al dertig jaar les aan de hogeschool.’
‘Dat doet er niet toe!’ beet Sophie haar toe. ‘Jan en ik houden van elkaar. En u…’
‘Hoe oud bent u eigenlijk, Sophie?’
‘Zevenentwintig,’ antwoordde ze uitdagend.
‘Toen ik zevenentwintig was, dacht ik ook dat alles eenvoudig was.’ Emma ademde langzaam uit. ‘Zeg Jan maar dat ik hem in de rechtbank zie.’
Nadat Sophie vertrokken was, bleef Emma nog lang voor de spiegel staan. Rimpels rond haar ogen. Grijze haren bij haar slapen. Nee, ze kon niet wedijveren met zo’n meisje. Maar daar ging het ook helemaal niet om.
‘Ik vecht niet om jeugd terug te krijgen,’ zei ze tegen haar spiegelbeeld. ‘Ik vecht om gerechtigheid.’
Tegen de avond belde Anna.
‘Emma, de stukken zijn klaar. Morgen dienen we de eis in.’
‘Nu al?’
‘Waarom zouden we wachten? Onze positie is stevig. Trouwens, uw voormalige man heeft mij ook gebeld.’
‘Wat wilde hij?’
‘Dreigen,’ zei Anna, en in haar stem klonk bijna een glimlach. ‘Maar daar ben ik niet gevoelig voor. Bent u klaar voor de zitting?’
‘Nee,’ antwoordde Emma eerlijk. ‘Maar een andere keuze heb ik niet.’
