Ik zette de auto stil naast het scheefgezakte hek van het volkstuincomplex. Het poortje stond wijd open. Bij de gemetselde barbecue stond Jan, bezig de spiesen boven de kolen om te draaien.
‘Jullie doen er lang over, Amsterdammers,’ zei hij zonder zich om te kijken.
Mijn man Pieter stapte als eerste uit. Hij rekte zich uit, zijn nek kraakte hoorbaar, en liep naar zijn broer toe om hem te begroeten. Ik maakte intussen de kofferbak open. Daarin lagen vier zware tassen van de supermarkt. Varkensnek van zo’n zes euro per kilo, verse groenten, houtskool en drie dozen met mijn eigen kaas: camembert, gouda en stracciatella. Ik maakte die kazen zelf. Het was mijn onderneming, klein, maar betrouwbaar genoeg om van te bestaan.
‘Pieter, maat, haal jij die tassen even eruit,’ riep Jan.
Pieter pakte gehoorzaam één tas. Natuurlijk de lichtste, met kruiden en brood. Zonder iets te zeggen tilde ik twee loodzware tassen met vlees en kaas op. De plastic hengsels sneden meteen in mijn vingers, die wit wegtrokken van de spanning.

Pas toen draaide Jan zich om. Hij droeg een met vet besmeurd schort, hetzelfde schort dat ik mijn schoonmoeder vorig jaar met vrouwendag cadeau had gedaan.
‘Emma, leg je autosleutels maar op tafel,’ zei Jan, terwijl hij met de vleestang naar de veranda wees. ‘Straks zet ik mijn wagen weg en die van jou ook meteen. Anders staat dat ding zo midden op het pad.’
Ik keek even naar mijn sleutelhanger. Jan vond het heerlijk om in mijn auto te rijden. Zijn oude importbak moest al tijden naar de garage, terwijl die van mij nog vrijwel nieuw was. Ik liep langs de barbecue en legde de sleutels op de houten tafel bij de ingang van het huisje.
Uit de buitenkeuken kwam mijn schoonmoeder Maria naar buiten. Ze droogde haar handen af aan een handdoek.
‘O, eindelijk zijn jullie er!’ riep ze, terwijl ze haar handen in de lucht gooide. ‘Emma, heb je je kaas meegenomen? Tante Sanne heeft er zo om gevraagd, echt zo vaak.’
‘Ik heb hem bij me, Maria,’ zei ik en zette de tassen op de bank.
‘Maar waarom zo weinig?’ Jan boog zich al over de tas heen. ‘Daar redden we het niet mee voor twintig man. De familie komt ook nog. Oom Bram uit Groningen, Sanne met haar man, de neven en nichten. We maken er een feest van.’
‘Het is drie kilo,’ antwoordde ik rustig. ‘Dat is meer dan genoeg.’
‘Gierig hoor,’ grijnsde Jan. ‘Je maakt het toch zelf. Je had best een hele kist kunnen meenemen. We zijn familie.’
Hij zei het luchtig, met een glimlach, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Ik haalde de bak met gemarineerd vlees uit de tas. Jan pakte hem direct uit mijn handen.
‘O, die marinade ruikt best goed,’ keurde hij goed na eraan te hebben gesnoven. ‘Je leert het nog wel. Ga jij maar naar de keuken, moeder staat daar groenten te snijden. Help haar even. Pieter en ik doen hier intussen het mannenwerk.’
Dat mannenwerk bestond eruit dat ze bier uit plastic bekers dronken en naar de gloeiende kolen keken.
Ik liep naar de buitenkeuken. Het rook er naar gebakken ui en oud tafelzeil. Op de tafel lag een berg ongewassen tomaten en komkommers.
‘Emma, pak een mes en snijd alles grof,’ commandeerde Maria. ‘Vooruit, de gasten kunnen er over een uur zijn. En de aardappels moeten ook nog geschild worden. De emmer staat daar.’
Ze wees naar een plastic emmer naast het wasbakje. Tien liter modderige aardappels.
‘Maria, we hadden toch afgesproken dat iedereen iets kleins zou meenemen,’ zei ik terwijl ik het mes pakte.
Mijn schoonmoeder slaakte zo’n diepe zucht alsof ik haar had gevraagd een vrachtwagen leeg te sjouwen.
‘Emma. Wij zijn hier de gastgevers. Het huisje is van mij. Jan staat het vlees te bakken. Jij hebt alleen boodschappen gedaan en snijdt nu wat groenten. Is dat nou zo veel moeite voor familie?’
Ik keek door het raam naar buiten. Jan stond nog altijd bij de barbecue. Hij bereidde vlees dat ik had gekocht en gemarineerd. Op houtskool die ik had meegenomen. Op een volkstuin waarvan ik de nieuwe dakbedekking had betaald.
Ik wendde mijn blik af en begon de tomaten in stukken te snijden.
Deel 2. De gasten komen aan
Rond twee uur ’s middags begonnen de auto’s één voor één het pad op te rijden. Oude Opels, tweedehands Koreaanse sedans. Het tuinhekje klapperde onafgebroken open en dicht.
Tweeëntwintig mensen in totaal. Tantes, ooms, achterneven, nichten en kinderen van allerlei familieleden. De familie van Pieter kwam iedere zomer op deze manier bij elkaar. Zij noemden het een familietraditie. In de praktijk betekende die traditie dat iedereen kwam aanzetten, aan de lange tafel plaatsnam, at, dronk en vervolgens klaagde over hoe duur alles tegenwoordig was.
Ik stond bij de gootsteen en spoelde de kruiden af. Uit het kraantje kwam slechts een dun straaltje water, zo koud dat het tot in mijn botten trok.
‘Emma! Waar liggen de schone handdoeken?’ riep tante Sanne vanaf de veranda.
‘In de bovenste la van de commode,’ riep ik terug.
