Jan liet zich achteroverzakken op de bank en nam met zichtbaar genoegen een diepe trek van zijn sigaret. De rook blies hij langzaam richting het raam, dat op een kier stond. Aan tafel zaten Pieter en Mark, vrienden uit zijn studententijd, mannen die hij al zeker drie maanden niet meer had gezien. Midden op tafel stond een fles cognac. Daaromheen lagen bordjes met vleeswaren, olijven en verschillende soorten kaas. Alles zag eruit alsof hij het goed voor elkaar had.
Jan knikte naar buiten, waar achter het glas zijn zilvergrijze Toyota Camry geparkeerd stond.
‘Zeg, jongens,’ begon hij achteloos, ‘ik zit eraan te denken die wagen misschien in te ruilen voor iets met wat meer uitstraling. Een BMW, bijvoorbeeld. Of een Audi. Die Camry is natuurlijk degelijk, daar niet van, maar op een gegeven moment wil je toch iets met karakter.’
Pieter floot zacht tussen zijn tanden.
‘Nou, jij pakt het meteen groots aan, maat. Daar moet je wel een flinke zak geld voor neerleggen.’

‘Ach,’ zei Jan, terwijl hij een wegwerpgebaar maakte, alsof geld nauwelijks een rol speelde. ‘Dat verdienen we wel weer. Ik heb op dit moment een paar projecten lopen. Zodra ik er eentje afrond, is zo’n nieuwe auto geen probleem.’
Mark keek ondertussen nog eens goed rond in het appartement. Het was een ruim driekamerappartement in een modern gebouw, met een dure afwerking en meubels die duidelijk niet uit de koopjeshoek kwamen. Aan de muur hing een enorme televisie en in de hoek stond een koffieapparaat van het soort dat Mark alleen kende uit reclames.
‘Je hebt het netjes gedaan, Jan,’ zei hij, en zijn bewondering klonk oprecht. ‘Ik weet nog hoe we na de universiteit van het ene tijdelijke kamertje naar het andere verhuisden. En kijk jou nu eens. Een eigen woning, een auto, alles erop en eraan.’
Jan glimlachte bescheiden, maar vanbinnen zwol hij van trots. Dit waren precies de momenten waar hij van hield: momenten waarop hij kon laten zien dat hij geslaagd was, dat al dat zoeken, proberen, praten en zogenaamd ondernemen niet voor niets was geweest.
‘Ik doe mijn best, mannen. Jullie weten hoe het tegenwoordig gaat: wie niet aanpakt, komt nergens. Je moet blijven draaien.’
Pieter schonk zichzelf nog een glas cognac in.
‘En hoe zit het met Emma? Werkt zij ook nog?’
‘Ja hoor,’ antwoordde Jan luchtig. ‘Ze zit ergens op kantoor als boekhouder. Ze vindt het prettig, dus waarom niet? Een vrouw moet zich ook kunnen ontwikkelen. Anders verzuurt ze thuis maar.’
Hij liet er wijselijk bij weg dat juist Emma’s salaris de hypotheek betaalde, net als de vaste lasten, de boodschappen en vrijwel alles wat hun huishouden draaiende hield. Hij zei ook niet dat zijn eigen “projecten” vooral in zijn hoofd bestonden en dat ze, als het meezat, hooguit een paar honderd euro per maand opleverden. En al helemaal niet dat de Camry eigenlijk van haar was, gekocht vóór hun huwelijk, van geld waarvoor Emma drie jaar had gespaard. Waarom zou hij zijn vrienden met zulke details lastigvallen?
Ze bleven zitten tot de avond viel. Jan vertelde uitgebreid over zijn toekomstplannen, over het bedrijf dat hij binnenkort wilde opzetten, over contacten die hij had en kansen die alleen nog gegrepen hoefden te worden. Pieter en Mark luisterden, knikten en lieten zich zichtbaar imponeren. Toen ze uiteindelijk vertrokken, bleef Jan achter met een aangename vermoeidheid en een tevreden gevoel.
Hij ruimde de tafel af, veegde de asbak schoon en zette de ramen wijd open, want Emma had een hekel aan de geur van tabak. Daarna schakelde hij de televisie in en strekte zich languit uit op de bank. Over een uur zou ze wel thuiskomen.
Rond acht uur stapte Emma binnen. Ze zag er moe uit en droeg twee zware boodschappentassen. Jan stond op en hielp haar de spullen naar de keuken brengen.
‘Hoe was je dag?’ vroeg ze terwijl ze haar schoenen uittrok.
‘Prima. Pieter en Mark kwamen even langs.’
‘O,’ zei ze alleen. ‘Dat verklaart het.’
Er zat geen openlijke beschuldiging in haar stem, maar ook geen warmte. Het was niet meer dan een droge vaststelling. Toch voelde Jan meteen irritatie opkomen.
‘Wat bedoel je met “dat verklaart het”?’
‘Niets bijzonders. Ik snap nu alleen waarom de goede kaas uit de koelkast verdwenen is.’
‘Emma, doe niet zo kleinzielig. Mijn vrienden kwamen op bezoek. Dan ontvang je mensen toch fatsoenlijk?’
Ze gaf geen antwoord en begon de boodschappen uit te pakken. Jan bleef nog even in de deuropening staan, maar liep toen terug naar de woonkamer. Dat stille verwijt van haar werkte hem op de zenuwen. Alsof hij thuis maar wat rondhing. Hij werkte wel degelijk. Hij dacht na, maakte plannen, zocht mogelijkheden. Alleen waren de resultaten nog niet zoals hij ze wilde hebben. Maar dat was tijdelijk, hield hij zichzelf voor.
De weken daarna verliepen volgens hetzelfde bekende patroon. Emma vertrok ’s ochtends rond acht uur naar haar werk en kwam meestal pas tegen acht uur ’s avonds weer thuis, soms nog later. Jan werd rond tien uur wakker, ontbeet op zijn gemak en ging daarna een uurtje of twee achter de computer zitten. Werk kon je het eigenlijk nauwelijks noemen. Vaker bestond het uit vacatures bekijken, artikelen lezen, filmpjes volgen over ondernemen en zichzelf wijsmaken dat hij bezig was.
Daarna pakte hij de sleutels van de Camry en reed de deur uit. Af en toe had hij werkelijk iets te doen: een afspraak met een mogelijke klant, een gesprek in een gedeelde werkruimte, een vaag zakelijk overleg. Maar meestal reed hij zonder duidelijk doel rond, dronk ergens koffie waar het interieur hem beviel, of slenterde door een winkelcentrum om de tijd te doden.
