‘En gordijnen maken,’ ging Sophie verder. ‘Ook dat. Daar is nu echt vraag naar. Mensen kopen minder snel iets nieuws; ze laten liever aanpassen wat ze al hebben.’
Emma luisterde zonder haar te onderbreken. Op zichzelf klonk het plan niet krankzinnig. Er waren inderdaad genoeg mensen die broeken lieten innemen, ritsen lieten vervangen of gordijnen korter wilden hebben. Het probleem zat niet in het idee, maar in de vraag wie de eerste kosten moest dragen.
‘Hoeveel heb je nodig?’ vroeg Jan.
Maria leek precies op die vraag te hebben zitten wachten.
‘Zesduizend euro,’ zei ze meteen. ‘Naaimachines, een lockmachine, een goede werktafel, een bord aan de gevel, twee maanden huur vooruit en dan nog allerlei kleine dingen. Voor jullie is dat te doen. Jullie hebben toch spaargeld.’
Emma zette haar kopje langzaam neer.
‘Hoe weet u hoeveel wij opzij hebben gezet?’
Haar schoonmoeder keek niet naar haar, maar naar Jan.
‘Jan heeft het verteld. Wat is daar nou vreemd aan? Mag een zoon dat niet met zijn moeder bespreken?’
Emma richtte haar blik op haar man. Hij sloeg schuldbewust zijn ogen neer.
‘Ik dacht niet dat het ooit hierover zou gaan,’ mompelde hij. ‘Ik heb alleen gezegd dat we aan het sparen zijn.’
‘En blijkbaar ook hoeveel,’ antwoordde Emma even zacht.
Sophie draaide met haar ogen.
‘Hemel, moet dit nou zo? Ik vraag het toch niet voorgoed? Ik betaal het terug. Niet morgen, dat snap ik ook wel, maar beetje bij beetje. Zijn we familie of niet?’
‘We zijn familie,’ zei Emma, en ze knikte. ‘Juist daarom vraag ik dit. Sophie, heb je uitgerekend wanneer je quitte speelt?’
‘Wat bedoel je?’
‘Hoeveel opdrachten je per maand nodig hebt om alleen al de huur te betalen. Niet om winst te maken, maar om niet meteen verlies te draaien.’
Sophie zweeg een paar tellen.
‘Ik heb daar wel ongeveer een beeld van.’
‘Ongeveer is geen bedrag. Wat kost de huur?’
‘Vijfhonderdtwintig euro per maand. Maar het is echt een goede plek.’
‘En er komt nog een maand borg bij?’
‘Ja.’
‘Plus opknappen, verlichting, garen, ritsen, stoffen, administratie, een pinautomaat. En als je een tweede naaister wilt laten meewerken, kun je niet zomaar alles informeel blijven doen. Dan krijg je te maken met loon, belastingen en verzekeringen. Heb je dat ook meegenomen?’
‘Emma, jij ook altijd,’ zei Sophie met een grimas. ‘Met jou valt niets normaal te bespreken. Jij ziet overal meteen rampscenario’s.’
‘Dat zijn geen rampscenario’s. Dat zijn cijfers. Zesduizend euro is geen pakje spelden.’
Maria blies luid door haar neus.
‘Hou toch op met dat verhoor. Ze zit hier niet bij de bank. Ze vraagt om hulp, niet om een controle van de boekhouding.’
‘Hulp kan op meer dan één manier,’ zei Emma rustig. ‘We kunnen meedenken over een ondernemingsplan, naar het huurcontract kijken, uitleggen hoe het met belasting werkt. Maar de helft van ons spaargeld in een plan stoppen dat nog niet eens behoorlijk is doorgerekend, dat kunnen we niet doen.’
‘Kunnen jullie dat niet?’ vroeg haar schoonmoeder scherp. ‘Of willen jullie het niet?’
Jan wreef met zijn hand over zijn voorhoofd.
‘Mam, het is echt veel geld. We moeten daarover nadenken.’
‘Waarover dan?’ Maria verhief haar stem. ‘Jullie wonen al zes jaar in mijn appartement. Zes jaar! Als jullie hadden moeten huren, waren jullie inmiddels tienduizenden euro’s kwijt geweest. Dankzij mij hebben jullie kunnen sparen, en nu trekken jullie je neus op.’
‘We trekken onze neus niet op,’ zei Jan. ‘We sparen voor een eigen woning.’
‘Een eigen woning?’ Maria lachte kort en kil. ‘Jullie hebben toch al een dak boven je hoofd. Of is mijn appartement soms niet goed genoeg?’
Op dat moment zei Emma wat ze al veel te lang had ingeslikt.
‘Maria, wij wonen niet in óns huis. Wij wonen in úw huis. En vandaag hebt u dat duidelijker gemaakt dan ooit.’
Aan tafel viel een stilte.
Toen sprak haar schoonmoeder de zin uit die alles liet kantelen:
‘Als jullie Sophie niet willen helpen, dan zorgen jullie maar dat het appartement aan het eind van de maand leeg is.’
Een paar seconden later voelde niets meer hetzelfde.
Emma was de eerste die opstond.
‘Goed,’ zei ze. ‘Dan vertrekken we.’
Maria knipperde met haar ogen.
‘Ik heb niet gezegd dat het vandaag nog moet.’
‘Nee,’ antwoordde Emma. ‘U hebt gelijk. Het is uw appartement.’
