‘Emma, vat het alsjeblieft niet verkeerd op, maar ik bel zo de politie. Bij jullie staat de muziek zo hard dat mijn tomatenplantjes in de kas er slap van gaan hangen, en over het perceel rennen een paar meiden in badpakken.’
De stem van Anna, haar buurvrouw van de volkstuinvereniging, schalde zo fel door de telefoon dat Emma het toestel een stukje van haar oor moest houden. Ze stond midden in haar keuken in de stad, met in de ene hand een aangebeten boterham met kaas en in de andere haar smartphone, en ze begreep werkelijk niet waar dit over ging. Buiten werd de meiavond al donkerder, in de woonkamer mompelde de televisie, en op de bank lag haar wettige echtgenoot Mark vredig te dutten, zijn benen uitgestrekt, warme sokken aan zijn voeten.
‘Anna, u vergist zich vast in het perceel,’ zei Emma zachter, terwijl ze automatisch wat kruimels van het tafelblad veegde. ‘Wij zijn gewoon thuis. Mark ligt hier televisie te kijken. Er is niemand bij het huisje, we hebben de sleutels aan niemand gegeven. Ik wilde er zelf pas volgend weekend heen om de kassen schoon te maken.’
‘Ik ben nog helder genoeg, lieve Emma, en ik haal de tuinen heus niet door elkaar. Mijn hek is van gaas, ik kan alles uitstekend zien. Er staat een vreemde auto, zo’n grote zilverkleurige. De barbecue rookt zowat onder mijn appelboom. En die… gasten van jullie schreeuwen een of ander modern lied alsof ze op een festival staan. Ik riep over de schutting wie ze waren, en toen antwoordde zo’n brutale knul dat ze volwaardige huurders waren.’
Emma verstijfde. De boterham legde ze langzaam op een bord. Er roerde zich iets onaangenaams in haar binnenste, een koude waarschuwing die langs haar rug naar beneden trok.

‘Wat bedoelt u met huurders?’ vroeg ze, bijna zonder geluid.
‘Dat moet je maar aan je man vragen. Ik heb zelf gezien dat hij vorige woensdag langskwam. Hij liep met een of andere kerel over jullie stuk grond en wees overal naar. Ik dacht nog: misschien heeft hij iemand geregeld om het dak te laten repareren. Maar blijkbaar zat het anders. Regel het zelf maar, Emma, maar als dat circus over een halfuur nog doorgaat, bel ik de voorzitter van de vereniging én de wijkagent.’
Anna verbrak de verbinding en liet Emma achter in de rinkelende stilte van de halfdonkere keuken. Een paar tellen staarde ze naar het zwarte scherm van haar telefoon, terwijl ze probeerde de losse stukjes in haar hoofd op hun plaats te krijgen. Het huisje met de tuin had ze acht jaar eerder van haar ouders geërfd. Het was een stevig houten zomerhuis met sierlijke kozijnen, door haar vader eigenhandig gebouwd. Emma had er haar hele hart in gelegd: ze had een rozentuin aangelegd, bijzondere appelrassen geplant en elk voorjaar met zorg de vloeren opnieuw geschilderd. Mark had nooit iets met die plek gehad. Hij zei altijd dat in de aarde wroeten iets voor gepensioneerden was, en hij kwam er hooguit een paar keer per zomer om vlees op de barbecue te gooien. Alle rekeningen, de bijdragen aan de vereniging en de reparaties kwamen steevast op Emma’s schouders terecht en werden betaald van haar salaris.
Langzaam liep ze naar de woonkamer. Mark sliep nog, met een lichte snurk. Op het salontafeltje lag zijn telefoon. Emma had nooit de gewoonte gehad andermans berichten te controleren; ze vond dat beneden haar waardigheid. Maar dit keer vroeg de situatie om duidelijkheid.
‘Mark,’ zei ze, terwijl ze hem bij zijn schouder aanraakte. ‘Word eens wakker.’
Hij trok ontevreden een grimas, opende zijn ogen en rekte zich behaaglijk uit, waarbij zijn gewrichten kraakten.
‘Wat is er, Em? Is het eten klaar?’
‘Anna belde. Vanaf onze tuin.’
Mark hield abrupt op met rekken. Zijn hand bleef in de lucht hangen. In zijn blik flitste heel even paniek voorbij, zo kort dat een ander het misschien niet had gezien, maar Emma wel. Meteen probeerde hij die te verbergen achter gemaakte ergernis. Hij ging rechtop zitten en wreef met beide handen over zijn gezicht.
‘En wat wil dat oude mens nu weer? Vallen de takken van onze perenboom soms opnieuw over haar komkommers? Ik heb je toch gezegd dat je die boom moest laten snoeien.’
‘Ze zegt dat er onbekende mensen op ons perceel zijn. Ze draaien muziek, steken de barbecue aan en noemen zichzelf huurders. Heb jij mij misschien iets uit te leggen?’
Mark lachte. Het klonk te luid, te hard en vooral onecht. Hij stond op, liep naar het raam en trok de gordijnen dicht, zonder zijn vrouw aan te kijken.
‘Hemel, Emma, je kent Anna toch. Dat mens ziet overal spoken. Huurders, kom nou. Ik heb alleen Daan van mijn werk er een paar dagen laten zitten. Die jongen heeft gedoe met zijn vrouw, enorme ruzie, alles lag overhoop, en hij had even geen plek om te slapen. Hij vroeg of hij de sleutel mocht lenen. Waarschijnlijk hebben ze daar met een paar vrienden uit ellende wat gedronken en muziek aangezet. Ik stuur hem nu wel een bericht dat hij zijn disco moet afbreken. Maak je niet druk.’
Hij pakte zijn smartphone, tikte haastig iets in en gooide het toestel daarna weer op tafel.
‘Zie je? Opgelost. Kom, laten we eten. Ik rammel van de honger.’
Emma keek naar zijn rug en wist dat hij loog. Mark begon altijd te draaien, te praten en druk te gebaren wanneer hij zich ergens uit probeerde te redden. Daan van zijn werk was een man met een vrouw en drie kinderen, iemand die vorige week nog met ziekteverlof was gegaan om medische redenen.
