Op dat moment stond mijn werkprogramma nog open, in de oven stond een taart af te koelen en op mijn telefoon wachtten drie ongelezen berichten van een opdrachtgever. Ik keek op naar Floris en dacht in eerste instantie dat ik hem verkeerd had verstaan.
‘Voor wie moet ik koken?’
‘Voor iedereen. Mam, Sanne met de kinderen, Pieter, Julia met haar man en nog twee collega’s van de afdeling. Negen gasten. Om zeven uur moet alles op tafel staan.’
Hij zei het alsof hij me vertelde dat het morgen zou gaan regenen. Daarna trok hij zijn jas uit, gooide die over een stoel en liep naar de koelkast om te kijken of er vlees in huis was.
Ik bleef hem nakijken en voelde hoe er vanbinnen iets zwaars omhoog kroop. Geen woede, niet meteen. Eerder een loodzware vermoeidheid. Zo’n vermoeidheid die ontstaat wanneer je al veel te lang doet alsof je alles nog wel aankunt.

‘Floris, ik moet werken.’
Hij draaide zich om.
‘Wat voor werk? Je zit toch gewoon thuis?’
Die zin hoorde ik inmiddels al drie maanden. Nadat ik bij het reclamebureau was ontslagen, was ik inderdaad vanuit huis gaan werken. Eerst nam ik kleine tekstklussen aan, daarna werd ik betrokken bij een project voor een webwinkel en twee weken later kreeg ik vaste opdrachten. Het leverde voorlopig minder op dan mijn oude baan, maar ik kon mijn eigen tijd indelen en was niet meer afhankelijk van de grillen van een baas.
Alleen bleek mijn tijd thuis opeens niet meer van mij te zijn.
De eerste maandag na mijn ontslag vroeg Floris of ik even op een pakketbezorger kon wachten. Daarna moest ik naar de bank, zijn overhemden ophalen bij de stomerij, de internetrekening betalen en ook nog avondeten maken. Volgens hem zat ik toch naast mijn laptop, dus kon ik best heel even onderbreken.
Heel even, vijf minuutjes.
Daarna nog tien.
Tegen de avond was mijn werkdag uitgerekt tot diep in de nacht, terwijl de huishoudelijke taken gewoon bleven liggen waar ze altijd lagen.
Ik maakte er geen ruzie over. Ik hield mezelf voor dat het tijdelijk was. Dat ik een goed project zou vinden, dat ik mijn nieuwe ritme zou opbouwen en dat Floris vanzelf zou begrijpen dat thuis zijn niet hetzelfde is als vrij zijn.
Maar dat begreep hij niet.
Hij raakte er alleen aan gewend.
‘Koop zelf maar vlees,’ zei Floris, terwijl hij alweer een stuk kaas uit de koelkast pakte. ‘En maak salades. Mam houdt van die met kip, Sanne eet alleen huzarensalade en Pieter gaat niet aan tafel zonder iets warms.’
‘Heb jij negen mensen uitgenodigd zonder mij iets te vragen?’
‘Het is een familiediner. Moet ik voortaan elke gast met mijn vrouw overleggen?’
‘Als dat diner bij ons thuis is, ja.’
Floris grijnsde kort en legde de kaas terug.
‘Begin nou niet. Je bent thuis. Je hebt nog de hele dag.’
Hij liep het balkon op om zijn moeder te bellen. De deur viel niet helemaal dicht, waardoor ik zijn stem duidelijk kon horen.
‘Ja, mam, komt goed. Zij kookt wel. Wat moet ze anders?’
Ik zat achter mijn scherm terwijl er in de werkchat alweer nieuwe berichten verschenen. De redacteur vroeg of ik het zou redden om de productteksten vóór vijf uur af te hebben. Ik typte: “Ja, dat lukt,” hoewel ik op dat moment geen flauw idee had hoe.
In de keuken was lang niet genoeg in huis. In mijn portemonnee zat nog vijfentwintig euro tot mijn volgende betaling. Floris zou over vier dagen salaris krijgen, maar de laatste maanden maakte hij steeds een deel over naar zijn moeder. De rest verdween in zijn auto en in avonden met vrienden.
Mijn geld ging naar de hypotheek, de vaste lasten, boodschappen en zijn creditcard.
Hij noemde dat ons gezinsbudget.
Ik noemde het een gewoonte om te nemen.
Om vijf uur had ik mijn opdracht afgerond. Niet omdat het eenvoudig was geweest, maar omdat ik had geleerd te typen terwijl er water op het fornuis kookte, en klanten te beantwoorden terwijl ik in de rij bij de kassa stond. Op tafel lagen de boodschappen van de dichtstbijzijnde supermarkt: kippenbouten, aardappelen, wortels, doperwten, brood en twee pakken goedkope koekjes.
Voor negen mensen was dat veel te weinig.
Zeker wanneer die mensen niet kwamen om te helpen, maar om feest te vieren.
Floris kwam een halfuur voor de afgesproken tijd thuis. De geur van koude buitenlucht en tabak hing om hem heen.
‘Waarom staat de tafel nog niet klaar?’
‘Omdat ik net pas klaar ben met werken.’
‘Emma, doe niet zo belachelijk. Wat voor werk kost jou nou een hele dag? Je kunt toch ondertussen koken?’
‘Dat kan ik. Maar ik ben het niet verplicht.’
Hij keek me aan alsof ik iets onfatsoenlijks had gezegd.
‘Mijn moeder komt vanavond. Maak geen scène.’
‘Die scène heb jij al gemaakt toen je zonder waarschuwing negen mensen naar dit appartement uitnodigde.’
‘Dit is ook mijn huis.’
Op dat moment zweeg ik.
Het appartement was twee jaar vóór onze bruiloft gekocht. Het geld kwam van de verkoop van een kamer die ik van mijn oma had geërfd, aangevuld met mijn eigen spaargeld. Floris wist dat. Hij had zelfs geholpen met het uitzoeken van de meubels en grapte toen dat hij geluk had met zijn inschrijving.
Later kregen die grapjes een andere toon.
“Ons appartement.”
“Onze muren.”
“Ons geld.”
Alleen was ik vreemd genoeg degene die de hypotheek bleef betalen.
Toen Floris onder de douche stapte, opende ik de bankapp op mijn telefoon. Op het scherm stonden de vertrouwde bedragen: de maandelijkse hypotheekbetaling, elektriciteit, water, internet, verzekering, boodschappen. En daaronder zag ik nog iets staan: een overboeking.
