— Maak dat je wegkomt! — krijste mijn schoonmoeder in mijn eigen huis. Alleen had ze er geen rekening mee gehouden dat uiteindelijk juist zij als eerste de deur zou worden gewezen.
Emma stond kleine babypakjes op te vouwen toen er plotseling een sleutel in het slot draaide. Haar hart sloeg een tel over. Willem was op zijn werk, en de reservesleutel lag bij zijn moeder, zogenaamd alleen voor noodgevallen. Maar voor Johanna was vrijwel elke doordeweekse dag een noodsituatie.
— Emmeline! Waar zit je?
Emma kwam de gang in en trok haastig haar trui recht, die inmiddels strak over haar buik spande. Haar schoonmoeder stond al binnen, beladen met tassen van de bouwmarkt, terwijl ze haar jas van zich af liet glijden alsof ze hier thuis was.
— Goedemiddag, Johanna.

— Wat nou goedemiddag, het is bijna avond — mopperde ze, terwijl ze zonder uitnodiging de woonkamer in liep. Haar blik gleed keurend door het appartement, alsof ze een inspectieronde hield. — Zit je alweer de hele dag thuis? In mijn tijd werkten vrouwen door tot het werkelijk niet meer ging.
In drie jaar had Emma geleerd dat tegenspreken zinloos was. Instemmen kostte minder kracht. Ze woonden tenslotte apart; wat maakte het uit wat haar schoonmoeder allemaal vond?
— Ik heb verf meegenomen — zei Johanna, terwijl ze de blikken op de bank zette alsof ze een besluit kwam uitvoeren. — Blauw. Fatsoenlijke verf. Niet dat gele gedoe dat jullie hadden bedacht.
Emma keek naar de blikken. Zij en Willem hadden twee weken lang kleuren vergeleken voor de babykamer, erover gepraat, gedroomd, telkens opnieuw naar stalen gekeken…
— Maar we hebben de kamer al geschilderd.
— Dan schilder je hem nog een keer — antwoordde haar schoonmoeder kortaf. Ze was al onderweg naar de kinderkamer. — Voor een jongen hoort een jongenskleur. Niet zo’n onbestemd rommeltje.
In de babykamer bleef Johanna staan met haar armen over elkaar, als een hoofdcontroleur die een fout had ontdekt.
— Vreselijk. Dat ledikant mag helemaal niet bij het raam staan! En die gordijntjes met konijnen… Is dit voor een baby bedoeld of voor een poppenhuis?
— Wij vinden het mooi…
— Ik niet. En mijn kleinzoon straks ook niet. — Met een vies gezicht pakte Johanna de stof van het gordijn beet. — Morgen gaan we hier alles veranderen.
Emma zei niets. Zoals gewoonlijk. Vanbinnen gaf de baby haar een schopje, alsof hij protesteerde tegen de vreemde vrouw die over zijn kamer besliste.
Willem kwam laat thuis. Emma wachtte op hem in de keuken, waar de verfblikken nog altijd stonden uitgestald als buitgemaakte trofeeën.
— Is je moeder hier geweest?
— Ze heeft verf gebracht. Ze wil de babykamer opnieuw laten schilderen.
Willem wreef over de brug van zijn neus, een duidelijk teken dat elk gesprek over zijn moeder hem nerveus maakte.
— Misschien is blauw inderdaad praktischer…
— We hadden die kleur toch samen uitgekozen.
