‘Ja, maar…’ Mark sloeg zijn ogen neer. ‘Ze bedoelt het goed. Ze wil alleen maar helpen.’
‘En ik dan?’
Haar vraag bleef tussen hen in hangen. Mark trok de koelkast open en begon erin te turen, alsof daar ineens een antwoord tussen de potjes en pakken melk verstopt lag.
De volgende ochtend stond Sanne opnieuw op de stoep. Dit keer had ze een schilder meegenomen: een magere jongen, Max, die eruitzag alsof hij al spijt had van deze klus voordat hij één kwast had aangeraakt.
‘Dit is Max. Hij is zo klaar,’ zei Sanne bevelend, alsof zij de sleutels van het huis bezat. ‘Begin maar met het plafond.’
‘Sanne, kunnen we hier niet even mee wachten? Mark heeft het nog niet eens gezien.’
‘Waarom zou je hem daarmee lastigvallen? Mannen hebben toch geen verstand van inrichting.’ Ze begon ondertussen speelgoed uit de kamer te halen. ‘Dit zijn vrouwenzaken.’
Vreemd genoeg waren het volgens haar nooit vrouwenzaken zodra er betaald moest worden voor een verbouwing.
Emma trok zich terug in de keuken. Daar bleef ze zitten, met een hand op haar buik, terwijl vreemde voetstappen en het schrapen van ladders haar huis vulden. De baby bewoog onrustig, alsof hij haar spanning voelde.
‘Dikker aanbrengen! Je ziet het geel er nog doorheen!’ klonk Sannes stem vanuit de babykamer.
Tegen de avond was de kamer blauw. Niet zacht of vrolijk, maar kil. Alsof de ruimte niet langer van hen was.
‘Nou?’ Sanne keek tevreden rond, alsof ze een meesterwerk had afgeleverd. ‘Nu zie je tenminste dat hier straks een echte jongen opgroeit.’
Emma bleef in de deuropening staan. De kamer die ze kort daarvoor nog met zoveel liefde had ingericht, leek ineens van iemand anders.
Een week later kwam Sanne terug met gordijnen. Donkerblauw, met strakke strepen.
‘Die konijntjes passen hier niet meer. Een jongen heeft een serieuze omgeving nodig.’
Zonder toestemming trok ze de oude gordijnen al los. Juist die gordijnen hadden Emma en Mark samen gekocht op die stralende dag waarop ze hadden gehoord dat ze een kind verwachtten.
‘Maar ze zijn nieuw,’ bracht Emma uit.
‘Nieuw betekent nog niet dat het goed is.’
Er knapte iets in haar. Zacht, maar onherroepelijk.
‘Stop.’
Sanne keek om. ‘Wat zei je?’
‘Leg die gordijnen neer. Nu.’
Langzaam draaide Sanne zich om, de stof nog in haar handen geklemd.
‘Ben je soms niet goed wijs?’
‘Dit is mijn huis. En dit is mijn babykamer.’
Sanne staarde haar aan alsof Emma plotseling in een onbekende taal was begonnen te spreken.
‘Jouw huis? Dit is het huis van mijn zoon!’
‘Je zoon staat hier ingeschreven. Maar de woning is van mij.’
‘Hoe durf je zo tegen mij te praten?’ Sanne werd bleek; de gordijnen gleden uit haar handen. ‘Ik sloof me uit voor jullie. Ik denk aan mijn kleinzoon!’
‘Nee,’ zei Emma kalm. ‘U denkt alleen aan uzelf. Aan hoe u alles precies naar uw hand kunt zetten.’
Emma liep naar de kast.
