‘Wie komt u ophalen?’ vroeg de verpleegkundige, terwijl ze met haar pen tegen het formulier tikte.
Ze zat half gedraaid aan het bureau. Haar bril was tot op het puntje van haar neus gezakt. Ze keek niet naar mij, maar naar het lege vakje op het papier.
‘Na het ontslag,’ verduidelijkte ze. ‘Alleen laten we u niet vertrekken. Dat mag hier niet. Er moet iemand komen en tekenen.’
‘En als er niemand is?’
Sanne — zo stond het op haar badge — keek eindelijk op.

‘Iedereen heeft wel iemand. Een zoon, een man, een buurvrouw. Emma, ik wil u niet opjagen, maar dit vak moet ingevuld worden.’
‘Mijn zus,’ zei ik. ‘Zet mijn zus maar neer. Lisa.’
Ze noteerde het en las het telefoonnummer hardop terug, zodat ik het kon bevestigen. Ik kende dat nummer uit mijn hoofd, al stond het natuurlijk gewoon in mijn telefoon.
Naar huis liep ik te voet. Twee haltes maar. De hele weg zocht ik naar de juiste woorden.
Op het deurtje van mijn keukenkastje hing met plakband een briefje vast. Drie regels, in mijn eigen handschrift: woensdag — Lucas van de BSO halen, zaterdag — boodschappen, zondag — Sophie naar dansles. Dat briefje hing er al drie jaar, sinds die zomer waarin Daan zijn baan in de fabriek kwijtraakte en ze financieel wegzakten.
Elke zaterdag reed ik met mijn boodschappentrolley naar hen toe. Als ik alles rechtop zette, pasten er vier volle tassen in: boekweit, kip, kwarktoetjes voor de kinderen, waspoeder dat bij hen altijd precies op vrijdag op was. Lisa deed de deur open, zei: ‘Ach, dat had je toch niet hoeven doen,’ en verdween vervolgens naar de keuken om alles uit te pakken. Nooit vroeg ze wat het had gekost.
Ik belde haar op maandagavond om acht uur, toen ze vermoedelijk al gegeten hadden.
‘Lis, ik word op twaalf mei geopereerd,’ zei ik. ‘Aan mijn rug. De arts zegt dat ik daarna anderhalve maand niets mag tillen dat zwaarder is dan een waterkoker.’
‘O,’ zei Lisa. ‘Wat vreselijk. Waar doen ze dat?’
Ik noemde het ziekenhuis. Ze slaakte een paar meelevende zuchten. Op de achtergrond stond de televisie aan en een van de kinderen lachte om een tekenfilm.
‘Ik moet na afloop worden opgehaald,’ ging ik verder. ‘En de eerste drie, vier dagen moet er iemand in de buurt zijn. Wat eten brengen, naar de apotheek gaan. Meer vraag ik niet.’
Het geluid van de televisie werd zachter.
‘Em, kom nou,’ zei ze. ‘Je snapt toch zelf ook wel hoe het zit. Ik heb mijn eigen gezin. Lucas, Sophie, Daan met zijn diensten. Ik kan mezelf niet in stukken scheuren.’
‘Ik heb verder niemand, Lis.’
‘En Sophie dan?’ zei ze. ‘Sophie is vijftien, ze heeft bijna examens. Ik ga haar niet bij haar lessen weghalen.’
‘Ik vraag Sophie toch ook niet.’
‘Waarom dan mij? Huur iemand in. Tegenwoordig vind je zo een thuiszorgster of oppas via een advertentie.’
‘Daar heb ik geen geld voor.’
‘Dat is dan niet mijn probleem,’ zei ze. ‘Em, ik zeg het eerlijk: ik heb er de ruimte niet voor. Ik werk, ik draai thuis alles, ik zit met huiswerk. Aan mij vraagt ook niemand ooit hoe het met míj gaat.’
Ik stond bij het keukenkastje en keek naar het plakband dat aan de randen geel was geworden. En toen sprak ze de zin uit die alles afmaakte.
‘En trouwens, Emma. Niemand heeft jou gevraagd al die dingen voor ons te doen. Dat heb je zelf besloten. Jij was ons niets verplicht — en wij zijn jou nu ook niets verplicht.’
Ik begon niet te huilen. Ik was zelfs niet verbaasd. Juist dat maakte het zo erg.
‘Goed,’ zei ik. ‘Dan kom ik woensdag Lucas niet halen. En zaterdag breng ik geen boodschappen.’
Ze lachte.
‘Ben je nu beledigd? Nou ja. Je koelt wel af en dan bel je zelf weer.’
Ik verbrak als eerste de verbinding. Daarna opende ik de bankapp, zocht tussen de vaste opdrachten de maandelijkse overschrijving die iedere vijfentwintigste naar haar rekening ging, en drukte op annuleren. De app vroeg of ik het zeker wist. Ik tikte nog een keer.
Woensdag begon mijn telefoon om kwart over drie te rinkelen.
Ik nam niet op. Niet om kwart over drie, niet om half vier en ook niet om vijf uur. Achttien gemiste oproepen. Daarna een bericht in hoofdletters: ‘WAAR BEN JE.’ Even later nog een: ‘Hij zit alleen op school, met zijn rugzak op schoot.’
Dat ik die woensdag niet zou komen, had ik haar maandag gezegd. Hardop, duidelijk, zonder dubbele bodem. Zij had er blijkbaar voor gekozen uit te proberen of ik loog.
Om zes uur schreef ze dat ze hem zelf had opgehaald en dat ik niet goed bij mijn hoofd was. Dus ze kón het wel.
De jongen had door ons allebei een uur extra op school gezeten. Daar droom ik nog steeds van.
Tot aan de operatie belde ze niet meer.
De ingreep vond plaats op de afgesproken dag. Uit het ziekenhuis werd ik opgehaald door Marieke van de zevende verdieping. Zij bestelde een taxi, kwam naar de zaal en pakte mijn spullen in dezelfde trolley waarmee ik was gekomen. Zij zette ook haar handtekening in het register. Sanne keek eerst naar die handtekening, toen naar mij, maar zei niets.
De eerste week leefde ik op soep die Marieke voor zichzelf kookte en waarvan ze meteen de helft in een pot voor mij apart hield. Om tien uur ’s ochtends bracht ze die langs, zette hem op tafel en ging weer weg, omdat ik de eerste dagen nauwelijks kon praten: door de medicijnen dreef alles om me heen.
‘Denk niet dat het me moeite kost,’ zei ze op de vierde dag. ‘Ik kook toch al. Jij blijft liggen en gaat niet de held uithangen.’
Ze zette de pot op tafel.
